Overige analyses
Lupus anticoagulans
Afweerstoffen die stollingstesten verlengen maar de kans op trombose vergroten; horen bij onderzoek naar het antifosfolipidensyndroom.
Alles over deze analyseWat meet dit
Lupus anticoagulans is, ondanks de naam, geen antistollingsmiddel en niet alleen te vinden bij de ziekte lupus. Het zijn autoantistoffen: afweerstoffen die het lichaam per vergissing maakt tegen eiwitten die aan fosfolipiden (vetachtige bouwstenen van cellen) binden. In de buis verlengen ze stollingstesten, maar in het lichaam vergroten ze juist de kans op trombose. Het laboratorium meet ze met de dRVVT (verdunde Russell-addergiftijd): een screeningstest en een bevestigingstest met extra fosfolipiden. Is de screeningstijd verlengd en wordt die met extra fosfolipiden korter, dan is er lupus anticoagulans aanwezig.
- Lupus anticoagulans: een van de drie laboratoriumbepalingen voor het antifosfolipidensyndroom (APS)
- Een verklaring voor een onverklaard verlengde aPTT
- Een verhoogde kans op trombose of zwangerschapscomplicaties als de antistoffen blijvend aanwezig zijn
Positief
Een positieve uitslag betekent dat er lupus anticoagulans is aangetoond. Dat is nog geen diagnose: volgens de NVKC en de FMS-richtlijn wordt de bepaling na minstens 12 weken herhaald, omdat lupus anticoagulans ook tijdelijk aanwezig kan zijn, bijvoorbeeld tijdens of na een infectie. Is de uitslag dan opnieuw positief én is er een trombose of een zwangerschapsprobleem geweest, zoals herhaalde miskramen, dan kan er sprake zijn van het antifosfolipidensyndroom. Lupus anticoagulans komt vaker voor bij mensen met de auto-immuunziekte lupus (SLE). Een positieve uitslag zonder trombose en zonder zwangerschapsproblemen leidt volgens de NVKC in principe niet tot behandeling.
Negatief
Een negatieve uitslag betekent dat er met deze test geen lupus anticoagulans is gevonden. Dat sluit het antifosfolipidensyndroom niet uit: het laboratorium gebruikt alleen de dRVVT, terwijl internationale afspraken ook een tweede, op de aPTT gebaseerde test voorschrijven, en het syndroom kan ook blijken uit antistoffen tegen cardiolipine of bèta-2-glycoproteïne I. Bij een trombose met een negatieve uitslag wordt de oorzaak verder onderzocht. Bij mensen met lupus (SLE) wordt de test volgens de NVKC regelmatig herhaald.
Voorbereiding
- Gebruik je bloedverdunners (antistolling)? Stop er niet mee, maar meld bij de afname welk middel je gebruikt; het lab heeft dat nodig om de uitslag te beoordelen.
Bij een afwijkende uitslag
Bij een positieve uitslag wordt de bepaling na minstens 12 weken herhaald, samen met antistoffen tegen cardiolipine en bèta-2-glycoproteïne I. Is de uitslag blijvend positief en is er een trombose of zwangerschapsprobleem geweest, dan verwijst de huisarts naar een internist. Bij een bevestigd antifosfolipidensyndroom na een trombose adviseert de FMS-richtlijn meestal een cumarine boven een DOAC, en bij herhaalde vroege miskramen kan in een volgende zwangerschap behandeling met een lage dosis acetylsalicylzuur en heparine worden overwogen.
Betrouwbaarheid
De uitslag zegt vooral iets bij mensen met een trombose op jonge leeftijd of zonder duidelijke oorzaak, met herhaalde miskramen of met een auto-immuunziekte zoals lupus. Volgens de FMS-richtlijn telt een positieve uitslag alleen mee als hij na minstens 12 weken opnieuw positief is. De meting is gevoelig voor verstoring: antistollingsmiddelen kunnen een fout-positieve of niet te beoordelen uitslag geven, en bloedplaatjes die in het plasma achterblijven een fout-negatieve. Bij mensen zonder trombose of zwangerschapsproblemen is een positieve uitslag moeilijk te duiden.
Beperkingen
- Antistollingsmiddelen verstoren de meting: cumarines, DOAC's en heparine kunnen een fout-positieve of niet te beoordelen uitslag geven. Het laboratorium vraagt daarom welke antistolling je gebruikt.
- Een infectie en sommige medicijnen kunnen lupus anticoagulans tijdelijk positief maken; daarom wordt een positieve uitslag na minstens 12 weken herhaald.
- Het laboratorium gebruikt één testsysteem (dRVVT); internationaal wordt een combinatie van twee verschillende tests aangeraden, dus een negatieve uitslag sluit lupus anticoagulans niet volledig uit.
- De meting vraagt plasma zonder bloedplaatjes: het buisje moet twee keer worden gecentrifugeerd en het plasma ingevroren; achtergebleven bloedplaatjes kunnen een fout-negatieve uitslag geven.
Hoe vaak komt dit voor
Volgens de NVKC maakt naar schatting 1 tot 2 op de 100 mensen antistoffen tegen fosfolipiden aan, maar de meesten hebben daar geen last van. Het antifosfolipidensyndroom zelf is zeldzaam. Lupus anticoagulans komt vaker voor bij mensen met lupus (SLE) en tijdelijk na infecties.
Voor wie is dit zinvol
Zinvol bij een trombose op jonge leeftijd, op een ongewone plaats of zonder duidelijke aanleiding, bij herhaalde miskramen of andere zwangerschapsproblemen, bij een onverklaard verlengde aPTT en bij lupus (SLE). De FMS-richtlijn raadt aan vrouwen met minstens drie miskramen vóór 10 weken zwangerschap te testen op lupus anticoagulans, samen met antistoffen tegen cardiolipine en bèta-2-glycoproteïne I. Bij gebruik van antistolling is de uitslag vaak niet betrouwbaar te beoordelen. Bij mensen zonder zulke gebeurtenissen is de voorspellende waarde laag en volgt er geen behandeling.
Nadelen en risico's
- Bij gebruik van antistolling kan de uitslag fout-positief zijn en onnodig ongerust maken of tot onnodig vervolgonderzoek leiden.
- Een negatieve uitslag kan ten onrechte geruststellen, omdat het laboratorium één testsysteem gebruikt en het antifosfolipidensyndroom ook uit andere antistoffen kan blijken.
Bronnen
Bespreek een afwijkende uitslag altijd met je huisarts. Bij een sterk afwijkende uitslag proberen wij je zo snel mogelijk te bereiken. Lees je uitslag ook zelf en neem bij twijfel contact op met je huisarts. Een test stelt geen diagnose. Lees meer over risico's en uitslagen