BloedCheckup

Jouw privacy

Jouw keuze voor cookies

Noodzakelijke cookies laten de website werken.

Met jouw toestemming gebruiken we aanvullende cookies voor:

  • de website en bestelroute verbeteren
  • campagnes en conversies meten
  • advertenties beter laten aansluiten

Met 5 dienstverleners kunnen we bezochte pagina’s, interacties en apparaatgegevens delen.

Gehashte contactgegevens alleen met marketingtoestemming.

Je kunt dit later wijzigen via Cookievoorkeuren onderaan elke pagina.

Meer informatie staat in ons privacybeleid.

BBloedCheckupEenvoudig labonderzoek—
info@bloedcheckup.nlVeelgestelde vragenContact
BBloedCheckupEenvoudig labonderzoek
  • Bloedonderzoek
    • Pakketten
    • Hormonen
    • Hart
    • Schildklier
    • Vitamines
    • Test op maat
    Alle bloedonderzoeken bekijken
  • Thuistesten
    • Pakketten
    • SOA's
    • Hormonen
    • Hart
    • Schildklier
    • Vitamines
    Alle thuistesten bekijken
  • Hoe het werkt
    • Bloedafname op locatie
    • Thuistesten
      • Vingerprik
      • Urine
      • Speeksel
      • Ontlasting
      • Haar
      • Uitstrijk
    • Locaties
    • Laboratoria
    • Analyses A-Z
    • Nuchter zijn
    • Verzending
    • Risico’s
    • Nevenbevindingen
  • Contact
    • Neem contact op
    • Test op maat
    • Veelgestelde vragen
    • Cliëntervaringen
    • Zakelijk
BBloedCheckupEenvoudig labonderzoek
  • Bloedonderzoek
    • Pakketten
    • Hormonen
    • Hart
    • Schildklier
    • Vitamines
    • Test op maat
    Alle bloedonderzoeken bekijken
  • Thuistesten
    • Pakketten
    • SOA's
    • Hormonen
    • Hart
    • Schildklier
    • Vitamines
    Alle thuistesten bekijken
  • Hoe het werkt
    • Bloedafname op locatie
    • Thuistesten
      • Vingerprik
      • Urine
      • Speeksel
      • Ontlasting
      • Haar
      • Uitstrijk
    • Locaties
    • Laboratoria
    • Analyses A-Z
    • Nuchter zijn
    • Verzending
    • Risico’s
    • Nevenbevindingen
  • Contact
    • Neem contact op
    • Test op maat
    • Veelgestelde vragen
    • Cliëntervaringen
    • Zakelijk

Analyses

Wat meet een analyse, en wat betekent de uitslag?

Per analyse: wat de bepaling meet, wat een te hoge of te lage waarde kan betekenen, hoe betrouwbaar de test is en voor wie hij zinvol is. Met de bronnen erbij.

In het kort

  • 504 analyses
  • Met bronnen uit Nederlandse richtlijnen
  • Geen diagnose: bespreek een uitslag met je huisarts

504 analyses

Categorieën

  • Bloedbeeld en bloedgroep19
  • IJzer7
  • Hart en vaten21
  • Suiker en stofwisseling30
  • Lever en alvleesklier19
  • Nier en zouten12
  • Urineonderzoek10
  • Schildklier11
  • Hormonen41
  • Vitaminen, mineralen en aminozuren56
  • Ontsteking en afweer19
  • Stolling4
  • Infecties64
  • Soa20
  • Darm134
  • Allergie en intolerantie14
  • Metalen, gifstoffen en medicijnen20
  • Spieren en botten3

Bloedbeeld en bloedgroep19

  • ABO-bloedgroepBloedBepaalt of je bloedgroep A, B, AB of O hebt; een erfelijk kenmerk dat vooral belangrijk is bij een bloedtransfusie.
  • BasofielenBloedDe zeldzaamste witte bloedcellen, betrokken bij allergische reacties; als losse waarde zelden van betekenis.
  • EosinofielenBloedEen soort witte bloedcel die vooral bij allergie en parasieten stijgt; onderdeel van het uitgebreide bloedbeeld.
  • Erytrocyten (rode bloedcellen)BloedHet aantal rode bloedcellen per liter bloed; samen met hemoglobine en MCV de basis voor het beoordelen van bloedarmoede.
  • Hematocriet (Ht)BloedHet aandeel van het bloed dat uit rode bloedcellen bestaat; beweegt mee met het hemoglobine en reageert sterk op de vochtbalans.
  • Hemoglobine (Hb)BloedDe rode bloedkleurstof die zuurstof vervoert; de standaardmeting om bloedarmoede (anemie) vast te stellen.
  • Hemoglobine-elektroforeseBloedOnderzoekt of je hemoglobine erfelijk afwijkt; toont dragerschap van bèta-thalassemie of sikkelcelziekte, relevant bij kinderwens.
  • Leukocyten (witte bloedcellen)BloedHet totale aantal witte bloedcellen, de afweercellen; stijgt bij infecties en ontstekingen, daalt bij sommige medicijnen.
  • LymfocytenBloedDe witte bloedcellen van de specifieke afweer tegen virussen; verhoogd bij virusinfecties, verlaagd bij stress, medicijnen of ziekte.
  • MCHBloedDe gemiddelde hoeveelheid hemoglobine per rode bloedcel; volgt het MCV en helpt de oorzaak van bloedarmoede te duiden.
  • MCHCBloedDe hemoglobineconcentratie in de rode bloedcellen; vooral een controlewaarde, verlaagd bij langer bestaand ijzergebrek.
  • MCVBloedDe gemiddelde grootte van de rode bloedcellen; helpt de oorzaak van bloedarmoede te vinden (ijzergebrek of vitaminetekort).
  • MonocytenBloedEen soort witte bloedcel die bacteriën en afgestorven weefsel opruimt; onderdeel van het uitgebreide bloedbeeld.
  • MPVBloedDe gemiddelde grootte van de bloedplaatjes; een hulpwaarde die alleen samen met het aantal bloedplaatjes iets zegt.
  • NeutrofielenBloedDe talrijkste witte bloedcellen en de eerste afweer tegen bacteriën; stijgen bij infectie, dalen vaak door medicijnen.
  • RDWBloedHoeveel de rode bloedcellen onderling in grootte verschillen; een hulpwaarde bij het zoeken naar de oorzaak van bloedarmoede.
  • ReticulocytenBloedHet aantal jonge rode bloedcellen; laat zien of het beenmerg genoeg nieuwe rode bloedcellen aanmaakt, vooral bij bloedarmoede.
  • Rhesus D (RhD)BloedBepaalt of je Rhesus D-positief of -negatief bent; van belang bij een zwangerschap en een bloedtransfusie.
  • Trombocyten (bloedplaatjes)BloedHet aantal bloedplaatjes, nodig voor de bloedstolling; te weinig geeft blauwe plekken en bloedingen, te veel is meestal tijdelijk.

IJzer7

  • FerritineBloedHet opslageiwit voor ijzer; de beste enkele maat voor de ijzervoorraad, maar ook verhoogd bij ontsteking.
  • IJzerBloedDe hoeveelheid ijzer die op dit moment in het bloed wordt vervoerd; schommelt sterk en zegt op zichzelf weinig over de voorraad.
  • IJzer (urine)UrineIJzer in urine zegt vrijwel niets over de ijzervoorraad; het lichaam scheidt ijzer nauwelijks via de nieren uit.
  • Oplosbare transferrinereceptor (sTfR)BloedMaat voor de ijzerbehoefte van de cellen; helpt ijzergebrek te onderscheiden van bloedarmoede bij ontsteking.
  • TIBC (totale ijzerbindingscapaciteit)BloedHoeveel ijzer het transporteiwit transferrine kan binden; nodig om de transferrinesaturatie te berekenen.
  • TransferrineBloedHet eiwit dat ijzer door het bloed vervoert; nodig om de transferrinesaturatie te berekenen bij ijzertekort of ijzerstapeling.
  • TransferrinesaturatieBloedHet percentage van het transporteiwit transferrine dat met ijzer bezet is; de belangrijkste aanwijzing voor ijzerstapeling.

Hart en vaten21

  • Apo B/A1-ratioBloedBerekende verhouding tussen het eiwit van de schadelijke cholesteroldeeltjes en dat van HDL; voegt weinig toe aan de losse waarden.
  • Apolipoproteïne A1BloedHet belangrijkste eiwit van HDL, het 'goede' cholesterol; loopt vrijwel gelijk op met de HDL-waarde.
  • Apolipoproteïne A2BloedHet tweede eiwit van HDL-cholesterol; de betekenis voor het risico op hart- en vaatziekten is onduidelijk.
  • Apolipoproteïne BBloedHet eiwit op elk LDL- en VLDL-deeltje; telt het aantal schadelijke cholesteroldeeltjes en vult LDL en non-HDL aan.
  • Cholesterol totaalBloedDe totale hoeveelheid cholesterol in het bloed; een van de bouwstenen voor het schatten van het risico op hart- en vaatziekten.
  • Cholesterol/HDL-ratioBloedBerekende verhouding tussen totaal cholesterol en HDL-cholesterol; zegt niet meer dan die twee losse waarden samen.
  • DHABloedHet omega-3-visvetzuur docosahexaeenzuur; de hoeveelheid in het bloed weerspiegelt vooral hoeveel vette vis of visolie je binnenkrijgt.
  • EPABloedHet omega-3-visvetzuur eicosapentaeenzuur; de hoeveelheid in het bloed weerspiegelt vooral hoeveel vette vis of visolie je binnenkrijgt.
  • Geoxideerd LDL-cholesterolBloedHet deel van het LDL-cholesterol dat door zuurstofradicalen is aangetast; een onderzoeksmarker zonder gestandaardiseerde meetmethode.
  • HDL-cholesterolBloedHet 'goede' cholesterol dat cholesterol naar de lever afvoert; een hogere waarde past bij een lager risico op hart- en vaatziekten.
  • HDL-LDL risico indexBloedBerekende verhouding tussen LDL- en HDL-cholesterol als grove maat voor de cholesterolbalans; voegt weinig toe aan de losse waarden.
  • HomocysteïneBloedEen afbraakstof die stijgt bij een tekort aan foliumzuur of vitamine B12; vooral bruikbaar bij twijfel over zo'n tekort.
  • LDL-cholesterolBloedHet 'slechte' cholesterol dat zich in de vaatwand afzet; de belangrijkste cholesterolwaarde voor risicoschatting en behandeling.
  • Lipoproteïne(a)BloedEen erfelijk bepaald cholesteroldeeltje dat los van LDL het risico op hart- en vaatziekten verhoogt; één meting is meestal genoeg.
  • Non-HDL-cholesterolBloedTotaal cholesterol min HDL: het cholesterol in alle schadelijke deeltjes, gebruikt in de SCORE2-risicotabel van de huisarts.
  • NT-proBNPBloedEen stof die het hart afgeeft bij overbelasting; wordt gebruikt om hartfalen uit te sluiten bij klachten zoals kortademigheid.
  • Omega-3-indexBloedHet aandeel van de visvetzuren EPA en DHA in alle vetzuren in je bloed; een maat voor je inname van vette vis of visolie.
  • Totale vetzurenBloedDe totale hoeveelheid vetzuren in je bloed; vooral de rekenbasis voor de omega-3-index.
  • TriglyceridenBloedVetten in het bloed die het lichaam als energie opslaat; hoge waarden hangen samen met voeding, alcohol, overgewicht en diabetes.
  • Triglyceriden/HDL-verhoudingBloedBerekende verhouding tussen triglyceriden en HDL-cholesterol; grove indruk van het vetpatroon bij overgewicht en insulineresistentie.
  • VLDL-lipoproteïneBloedDe vetdeeltjes die triglyceriden vanuit de lever vervoeren; volgt grotendeels het triglyceridengehalte.

Suiker en stofwisseling30

  • AconietzuurUrineEen tussenproduct van de citroenzuurcyclus, de energieproductie in de cel; de waarde in urine hangt ook af van voeding.
  • AdiponectineBloedEen hormoon uit vetweefsel dat samenhangt met insulinegevoeligheid; de waarde daalt juist bij meer buikvet.
  • Alfa-ketoglutaarzuurUrineEen tussenproduct van de citroenzuurcyclus en de aminozuurstofwisseling; de waarde in urine hangt ook af van voeding.
  • AppelzuurUrineEen tussenproduct van de citroenzuurcyclus dat ook in fruit zit; de waarde in urine volgt deels de voeding.
  • BarnsteenzuurUrineEen tussenproduct van de citroenzuurcyclus, de energieproductie in de cel; ook darmbacteriën maken het.
  • BenzoëzuurUrineEen conserveermiddel dat ook van nature in voeding zit en door darmbacteriën wordt gemaakt; de waarde volgt vooral de inname.
  • Bèta-hydroxyboterzuurBloedHet belangrijkste ketolichaam in het bloed; laat zien hoeveel het lichaam op vetverbranding draait.
  • C-peptideBloedBijproduct van de eigen insulineaanmaak; laat zien hoeveel insuline de alvleesklier zelf nog maakt.
  • CitramalzuurUrineEen zuur dat in appels en ander fruit voorkomt en ook door darmbacteriën wordt gemaakt; de waarde volgt vooral de voeding.
  • CitroenzuurUrineEen tussenproduct van de citroenzuurcyclus; in urine remt citraat het neerslaan van kalk en daarmee de vorming van nierstenen.
  • Dihydroxyfenylpropionzuur (DHPPA)UrineEen stof die darmbacteriën maken uit plantaardige stoffen, bijvoorbeeld uit koffie, fruit en groente.
  • FructosamineBloedMaat voor de gemiddelde bloedsuiker over 2 tot 3 weken; anders dan voor HbA1c zijn er geen vaste streefwaarden.
  • FumaarzuurUrineEen tussenproduct van de citroenzuurcyclus, de energieproductie in de cel; de waarde in urine hangt ook af van voeding.
  • Galactose-1-P-uridyltransferaseBloedActiviteit van het enzym dat bij klassieke galactosemie ontbreekt; die ziekte wordt in Nederland via de hielprik opgespoord.
  • GlucoseBloedDe bloedsuiker op het moment van prikken; nuchter gemeten is dit de test waarmee de huisarts diabetes vaststelt of uitsluit.
  • HbA1cBloedGemiddelde bloedsuiker over de laatste 2 tot 3 maanden; de vaste controlewaarde bij diabetes en internationaal ook een diagnosetest.
  • HippuurzuurUrineEen afbraakproduct van benzoëzuur en plantaardige stoffen uit voeding; de waarde volgt vooral fruit, thee, koffie en conserveermiddelen.
  • HOMA-IRBloedEen berekening uit nuchtere glucose en insuline als schatting van insulineresistentie; vooral een onderzoeksmaat, zonder vaste grenswaarde.
  • InsulineBloedHet hormoon dat de bloedsuiker verlaagt; nuchter gemeten een grove maat voor insulineresistentie, met beperkte klinische waarde.
  • LactaatBloedMelkzuur in het bloed; stijgt als weefsels te weinig zuurstof krijgen, maar ook door inspanning en de afname zelf.
  • Lactaat (urine)UrineMelkzuur, dat ontstaat als cellen suiker afbreken zonder genoeg zuurstof; in urine vooral hoger na zware inspanning.
  • Lactaat/pyruvaatindex (urine)UrineDe verhouding tussen lactaat en pyruvaat in urine; zegt iets over hoe de cel suiker afbreekt.
  • m-HydroxyfenylazijnzuurUrineEen stof die darmbacteriën maken uit plantaardige stoffen in fruit, thee en groente.
  • p-HydroxybenzoëzuurUrineEen afbraakproduct van plantaardige voeding en van parabenen, conserveermiddelen in cosmetica en voeding.
  • p-HydroxyfenylazijnzuurUrineEen afbraakproduct van het aminozuur tyrosine, deels gemaakt door darmbacteriën; de waarde hangt af van voeding.
  • Pro-insulineBloedDe voorloper van insuline; een klein deel komt normaal in het bloed, meer bij een overbelaste alvleesklier.
  • Pyruvaat (urine)UrineEen afbraakproduct van suiker dat de cel verder verbrandt voor energie; de waarde in urine schommelt sterk.
  • TricarballylzuurUrineEen zuur dat het lichaam niet zelf maakt en dat uit voeding komt, deels na omzetting door darmbacteriën.
  • UrinezuurBloedEen afvalstof uit de afbraak van purines; bij een hoge waarde kunnen kristallen ontstaan die jicht of nierstenen geven.
  • WijnsteenzuurUrineEen zuur uit druiven, wijn en ander fruit; het lichaam maakt het niet zelf, dus de waarde volgt de voeding.

Lever en alvleesklier19

  • ALATBloedEen leverenzym dat in het bloed lekt als levercellen beschadigd raken; de eerste test bij een vermoeden van een leveraandoening.
  • AlbumineBloedHet belangrijkste eiwit in het bloed, gemaakt door de lever; verlaagd bij ontsteking, ondervoeding, lever- of nierziekte.
  • Albumine/globuline-verhoudingBloedAlbumine gedeeld door globuline; een berekende verhouding die weinig toevoegt aan de losse waarden totaal eiwit en albumine.
  • Alfa-1-antitrypsineBloedEen beschermend eiwit uit de lever; een te laag gehalte kan wijzen op een erfelijk tekort met gevolgen voor longen en lever.
  • Alkalische fosfataseBloedEen enzym uit galwegen en bot; verhoogd bij een belemmerde galafvoer of bij verhoogde botaanmaak.
  • AmylaseBloedEen verteringsenzym uit de alvleesklier en de speekselklieren; sterk verhoogd bij een acute alvleesklierontsteking.
  • ASATBloedEen enzym uit lever, hart en spieren dat samen met ALAT laat zien of levercellen beschadigd zijn en hoe ernstig.
  • Bilirubine direct (geconjugeerd)BloedHet deel van bilirubine dat de lever al heeft bewerkt; verhoogd als de lever of de galafvoer niet goed werkt.
  • Bilirubine indirect (ongeconjugeerd)BloedBerekend als totaal min direct bilirubine; verhoogd bij de onschuldige ziekte van Gilbert of bij versnelde bloedafbraak.
  • Bilirubine totaalBloedHet gele afbraakproduct van rode bloedcellen; verhoogd bij een leveraandoening, een galwegblokkade of versnelde bloedafbraak.
  • CeruloplasmineBloedHet eiwit dat koper in het bloed vervoert; wordt vooral gebruikt bij onderzoek naar de zeldzame erfelijke ziekte van Wilson.
  • CholinesteraseBloedEen enzym uit de lever; laat zien hoe gevoelig iemand is voor bepaalde spierverslappers en zegt iets over de lever.
  • EiwitelektroforeseBloedVerdeelt de eiwitten in het bloed in groepen en laat zien welke groep afwijkt bij ontsteking, lever- of nierziekte.
  • Gamma-GTBloedEen enzym uit lever en galwegen dat stijgt bij belasting van de lever, vooral door alcohol, medicijnen of een galwegprobleem.
  • GlobulineBloedBerekend als totaal eiwit min albumine; een grove maat voor de antistoffen en andere globulinen in het bloed.
  • LDHBloedEen enzym dat in bijna alle lichaamscellen zit; verhoogd bij schade aan weefsel of bij afbraak van rode bloedcellen.
  • LDH-isoenzymenBloedVerdeling van het enzym LDH over vijf vormen; geeft een hint uit welk weefsel een verhoogd LDH komt.
  • LipaseBloedEen verteringsenzym uit de alvleesklier; sterk verhoogd bij een acute alvleesklierontsteking (pancreatitis).
  • Totaal eiwitBloedDe totale hoeveelheid eiwit in het bloed, vooral albumine en antistoffen; een grove maat voor voeding, lever, nieren en afweer.

Nier en zouten12

  • BUN/kreatinine-verhoudingBloedEen berekende verhouding tussen ureumstikstof en kreatinine; voegt weinig toe aan de losse waarden.
  • ChlorideBloedEen zout in het bloed dat samen met natrium de vochtbalans en de zuurgraad regelt; wordt meestal samen met andere zouten beoordeeld.
  • CO2 (bicarbonaat)BloedDe totale hoeveelheid koolzuur in het bloed, vooral bicarbonaat; een maat voor de zuur-basebalans.
  • Cystatine CBloedEen nierfunctiemaat naast kreatinine; minder afhankelijk van spiermassa, dus nuttig als kreatinine twijfel geeft.
  • eGFRBloedEen berekende schatting van de filtersnelheid van de nieren uit kreatinine, leeftijd en geslacht; de maat voor de nierfunctie.
  • Fosfaat anorganischBloedHet fosfaat in je bloed; vooral van belang bij nierziekte, een afwijkend calcium of een probleem met de bijschildklier.
  • KaliumBloedEen zout dat onmisbaar is voor hart en spieren; een afwijkende waarde komt vaak door de afname zelf, medicijnen of de nieren.
  • KreatinineBloedEen afvalstof uit de spieren die de nieren uit het bloed filteren; de basis voor het berekenen van de nierfunctie (eGFR).
  • Kreatinine (urine)UrineKreatinine in urine is meestal geen doel op zich, maar een correctiewaarde waarmee andere urinebepalingen vergelijkbaar worden gemaakt.
  • NatriumBloedHet belangrijkste zout in het bloed; een afwijkende waarde wijst meestal op een verstoring van de vochtbalans, niet van de zoutinname.
  • UreumBloedEen afvalstof uit de afbraak van eiwitten die de nieren uitscheiden; zegt iets over nieren, vochtbalans en eiwitinname.
  • Ureumstikstof (BUN)BloedEen Amerikaanse manier om ureum in het bloed weer te geven; in Nederland wordt dezelfde waarde als ureum gerapporteerd.

Urineonderzoek10

  • BilirubineUrineGalkleurstof in de urine; normaal niet aantoonbaar, positief kan wijzen op een probleem van de lever of de galwegen.
  • EiwitUrineEiwit in de urine; een mogelijke aanwijzing voor nierschade, maar vaak tijdelijk door inspanning, koorts of een infectie.
  • Erytrocyten en vrij hemoglobineUrineBloed in de urine dat je vaak niet ziet; komt meestal door menstruatie, inspanning of een blaasontsteking.
  • GlucoseUrineSuiker in de urine; komt meestal pas voor als de bloedsuiker duidelijk te hoog is, bijvoorbeeld bij diabetes.
  • KetonenUrineKetonen in de urine; ontstaan als het lichaam vet verbrandt in plaats van suiker, bijvoorbeeld bij vasten of ontregelde diabetes.
  • LeukocytenUrineWitte bloedcellen in de urine; een aanwijzing voor een ontsteking, meestal een blaasontsteking.
  • NitrietUrineNitriet in de urine; ontstaat door bepaalde bacteriën en is een sterke aanwijzing voor bacteriën in de urinewegen.
  • pHUrineDe zuurgraad van de urine; hangt vooral af van voeding en zegt weinig over de zuurgraad van het lichaam.
  • Soortelijk gewichtUrineHoe geconcentreerd de urine is; zegt vooral iets over hoeveel je hebt gedronken.
  • UrobilinogeenUrineEen afbraakproduct van bilirubine uit de darm; verhoogd bij leverproblemen of snelle afbraak van rode bloedcellen.

Schildklier11

  • Anti-TgBloedAntistoffen tegen thyreoglobuline, een eiwit uit de schildklier; komen voor bij auto-immuunziekten van de schildklier.
  • Anti-TPOBloedAntistoffen tegen een schildkliereiwit; kunnen wijzen op een auto-immuunziekte van de schildklier, zoals de ziekte van Hashimoto.
  • Reverse T3BloedEen niet-werkzame vorm van schildklierhormoon; verandert vooral bij ziekte en vasten en zegt weinig over de schildklier.
  • T3 (totaal)BloedHet werkzame schildklierhormoon, gemeten als totale hoeveelheid; vooral aanvullend bij een vermoeden van een te snelle schildklier.
  • ThyreoglobulineBloedEen eiwit dat alleen de schildklier maakt; de waarde hangt af van hoeveel schildklierweefsel er is en of dat beschadigd is.
  • Thyroxine-bindend globulineBloedHet eiwit dat schildklierhormoon in het bloed vervoert; een afwijkende waarde verandert het vrije, werkzame hormoon niet.
  • Totaal T4BloedDe totale hoeveelheid thyroxine in het bloed, gebonden en vrij; hangt ook af van transporteiwit, daarom zegt vrij T4 meestal meer.
  • TSHBloedHet hormoon dat de schildklier aanstuurt; de eerste stap om te zien of de schildklier te traag of te snel werkt.
  • TSH-receptorantistoffen (TRAb)BloedAntistoffen die de schildklier aanzetten tot te veel hormoon; tonen de ziekte van Graves aan bij een te snel werkende schildklier.
  • Vrij T3BloedHet meest actieve schildklierhormoon; vooral van waarde bij een vermoeden van een te snel werkende schildklier, minder bij een te trage.
  • Vrij T4BloedHet schildklierhormoon thyroxine, gemeten als het vrije deel dat het lichaam kan gebruiken; laat zien hoeveel hormoon de schildklier daadwerkelijk maakt.

Hormonen41

  • 16α-hydroxy-oestron (16αOH-oestron)UrineAfbraakproduct van oestron via de 16α-route; wordt vooral in wetenschappelijk onderzoek gemeten.
  • 17-hydroxypregnenolonBloedTussenstap in de aanmaak van bijnierhormonen; zegt vooral iets bij onderzoek naar een zeldzame aangeboren enzymstoornis.
  • 2-hydroxy-oestron (2OH-oestron)UrineAfbraakproduct van oestron via de grootste afbraakroute in de lever; wordt vooral in wetenschappelijk onderzoek gemeten.
  • 2-methoxy-oestronUrineVerder afgebroken vorm van 2OH-oestron; wordt vooral in wetenschappelijk onderzoek gemeten.
  • 4-hydroxy-oestron (4OH-oestron)UrineAfbraakproduct van oestron via een kleinere afbraakroute; wordt vooral in wetenschappelijk onderzoek gemeten.
  • 4-methoxy-oestronUrineVerder afgebroken vorm van 4OH-oestron; wordt vooral in wetenschappelijk onderzoek gemeten.
  • ACTHBloedHypofysehormoon dat de bijnieren aanzet tot cortisol; alleen te duiden samen met een cortisolwaarde.
  • AdrenalineUrineStresshormoon uit de bijnieren in urine; stijgt door inspanning, spanning, cafeïne en medicijnen.
  • AMHBloedHormoon uit de eiblaasjes dat een schatting geeft van de eicelvoorraad; geen test voor vruchtbaarheid.
  • Androstandiol-glucuronideBloedAfbraakproduct van het sterke mannelijke hormoon DHT; een indirecte maat voor de werking van mannelijk hormoon in huid en haar.
  • AndrosteendionBloedVoorloper van testosteron uit bijnieren en geslachtsklieren; gemeten bij te veel mannelijk hormoon bij vrouwen.
  • CortisolBloedBijnierhormoon dat in de ochtend wordt gemeten om een ernstig tekort of overschot op te sporen; geen maat voor stress.
  • CortisolSpeekselVrij cortisol in speeksel; laat op de avond gemeten een onderzoek bij vermoeden van te veel cortisol.
  • Cortisol/DHEA-S ratioBloedVerhouding tussen twee gemeten bijnierhormonen; geen gevalideerde maat voor stress of bijnierfunctie.
  • DehydroepiandrosteronBloedBijnierhormoon en voorloper van testosteron en oestrogeen; wisselt over de dag, DHEA-S is meestal de betere maat.
  • DHEASpeekselHet vrije DHEA in speeksel; volgt een dagritme en is niet één op één te vergelijken met DHEA of DHEA-S in bloed.
  • DHEA-SBloedBijnierhormoon en voorloper van mannelijke hormonen; gemeten bij klachten van te veel mannelijk hormoon bij vrouwen.
  • DihydrotestosteronBloedSterke vorm van testosteron die vooral in de huid werkt; een bloedwaarde zegt weinig over erfelijke haaruitval.
  • DopamineUrineDopamine in urine; wordt grotendeels in de nieren zelf gemaakt en zegt niets over dopamine in de hersenen.
  • FSHBloedHypofysehormoon dat de eierstokken en zaadballen aanstuurt; hoog als die uitvallen, laag als de aansturing hapert.
  • GABAUrineGABA in urine; komt vooral uit voeding, darmbacteriën en de nieren en is geen maat voor ontspanning of angst.
  • GlutamaatUrineGlutamaat in urine; een aminozuur uit voeding en stofwisseling, geen maat voor prikkelbaarheid of hersenactiviteit.
  • GroeihormoonBloedHypofysehormoon voor groei en stofwisseling; een losse meting zegt weinig omdat het in pieken wordt afgegeven.
  • hCGBloedZwangerschapshormoon uit de moederkoek; laat zien of je zwanger bent en hoe een vroege zwangerschap verloopt.
  • IGF-1BloedGroeifactor uit de lever die laat zien hoeveel groeihormoon er gemiddeld werkzaam is.
  • IGF-BP3BloedHet eiwit dat groeifactor IGF-1 in het bloed bindt; volgt de werking van groeihormoon, maar minder scherp dan IGF-1 zelf.
  • LHBloedHypofysehormoon dat de eisprong opwekt en bij mannen de testosteronaanmaak aanstuurt; beoordeeld samen met FSH.
  • NoradrenalineUrineSignaalstof van het zenuwstelsel buiten de hersenen in urine; stijgt door inspanning, staan, spanning en medicijnen.
  • OestradiolBloedHet belangrijkste vrouwelijke geslachtshormoon; gemeten bij cyclusstoornissen, vruchtbaarheidsonderzoek en bij mannen met borstvorming.
  • OestradiolSpeekselHet vrije oestradiol in speeksel; wisselt sterk met de cyclus en is niet één op één te vergelijken met oestradiol in bloed.
  • OestronBloedEen zwakker oestrogeen dat vooral in vetweefsel wordt gemaakt; na de overgang het belangrijkste oestrogeen in het bloed.
  • PregnenolonBloedDe eerste stap in de aanmaak van steroïdhormonen uit cholesterol; zegt vooral iets bij onderzoek naar een zeldzame bijnierstoornis.
  • ProgesteronBloedHet hormoon van de tweede cyclushelft; laat zien of er een eisprong is geweest, mits gemeten op de juiste cyclusdag.
  • ProgesteronSpeekselHet vrije progesteron in speeksel; wisselt sterk met de cyclus en is niet één op één te vergelijken met progesteron in bloed.
  • ProlactineBloedHypofysehormoon voor de melkproductie; verhoogd door stress, medicijnen of een goedaardig hypofysegezwel.
  • SerotonineUrineSerotonine in urine; komt vooral uit darm, bloedplaatjes en nieren en zegt niets over serotonine in de hersenen.
  • SHBGBloedHet eiwit dat testosteron en oestradiol in het bloed bindt; nodig om te weten hoeveel testosteron echt werkzaam is.
  • TestosteronBloedHet belangrijkste mannelijke geslachtshormoon; bij mannen gemeten bij een vermoeden van een tekort, bij vrouwen bij een teveel.
  • TestosteronSpeekselHet vrije testosteron in speeksel; volgt een dagritme en is niet één op één te vergelijken met testosteron in bloed.
  • Vrij oestriolBloedEen zwak oestrogeen dat in de zwangerschap via placenta en ongeboren kind wordt gemaakt; buiten de zwangerschap weinig informatief.
  • Vrij testosteronBloedHet kleine, werkzame deel van testosteron dat niet aan eiwit gebonden is; berekend uit totaal testosteron, SHBG en albumine.

Vitaminen, mineralen en aminozuren56

  • AC/FC-ratioBloedBerekende verhouding tussen gebonden en vrij carnitine; een hint of er relatief veel carnitine bezet is.
  • AcylcarnitineBloedHet carnitine dat aan vetzuur- of aminozuurresten gebonden is; een profiel hiervan hoort bij stofwisselingsonderzoek.
  • AlanineBloedEen aminozuur dat spieren en lever gebruiken voor de energie- en suikerhuishouding; stijgt na een maaltijd.
  • Antistoffen tegen intrinsic factorBloedAntistoffen die de opname van vitamine B12 verstoren; bij een B12-tekort om pernicieuze anemie als oorzaak aan te tonen.
  • ArginineBloedEen aminozuur dat een rol speelt bij de afvoer van stikstof (ureumcyclus) en de aanmaak van stikstofmonoxide.
  • CalciumBloedHet calcium in je bloed; een afwijking hangt meestal samen met de bijschildklier, vitamine D, de nieren of het eiwit albumine.
  • Calcium (albumine-gecorrigeerd)BloedBerekende schatting van het vrije, werkzame calcium uit calcium en albumine; vooral nuttig als het albumine afwijkt.
  • Carnitine totaalBloedAl het carnitine in het bloed samen; carnitine brengt vetzuren naar de energiefabriekjes van de cel.
  • Carnitine vrijBloedHet deel van het carnitine dat nog vrij beschikbaar is om vetzuren de cel in te brengen.
  • Co-enzym Q10BloedDe hoeveelheid co-enzym Q10 in het bloed; de waarde volgt vooral het cholesterol en zegt weinig over de voorraad in weefsels.
  • FenylalanineBloedEen essentieel aminozuur uit eiwitrijke voeding dat het lichaam omzet in het aminozuur tyrosine.
  • FoliumzuurBloedDe hoeveelheid foliumzuur (folaat, vitamine B11) in het bloed; om een tekort op te sporen, meestal samen met vitamine B12.
  • Glutamine (urine)UrineHet meest voorkomende aminozuur in het lichaam; in urine zegt de waarde vooral iets over voeding en de nieren.
  • Glutaminezuur (urine)UrineEen aminozuur dat ook als boodschapperstof in de hersenen werkt; in urine hangt de waarde af van voeding en bewaring.
  • GlutathionBloedDe hoeveelheid glutathion in het bloed; een maat zonder vastgestelde betekenis voor mensen zonder klachten.
  • GlycineBloedEen aminozuur dat het lichaam zelf maakt; bouwsteen van collageen en nodig voor ontgifting in de lever.
  • Glycine (urine)UrineEen aminozuur dat het lichaam zelf maakt; in urine zegt de waarde vooral iets over voeding, supplementen en de nieren.
  • HistidineBloedEen essentieel aminozuur uit eiwitrijke voeding; het lichaam maakt er onder meer histamine van.
  • Holotranscobalamine (actief vitamine B12)BloedHet deel van vitamine B12 dat de cellen kunnen opnemen (actief B12); helpt vooral om een B12-tekort uit te sluiten.
  • IsoleucineBloedEen van de drie vertakte-keten-aminozuren (BCAA's) uit eiwitrijke voeding, vooral gebruikt door de spieren.
  • JodiumBloedJodium in je bloed; zegt weinig over je jodiumvoorziening, die wordt beoordeeld met urineonderzoek en schildklierwaarden.
  • Jodium (urine)UrineJodium in urine laat zien hoeveel jodium je recent binnenkreeg; het is vooral een maat voor groepen, niet voor één persoon.
  • KoperBloedHet koper in je bloed; vooral gebruikt bij een vermoeden van een kopertekort of de zeldzame ziekte van Wilson.
  • LeucineBloedEen van de drie vertakte-keten-aminozuren (BCAA's) uit eiwitrijke voeding; belangrijk voor de opbouw van spiereiwit.
  • LysineBloedEen essentieel aminozuur uit eiwitrijke voeding, onder meer nodig voor de opbouw van eiwitten en collageen.
  • MagnesiumBloedHet magnesium in je bloed; laat vooral grote tekorten of overschotten zien en zegt weinig over de voorraad in je lichaam.
  • Magnesium (urine)UrineMagnesium in urine laat zien hoeveel magnesium de nieren uitscheiden; het is geen maat voor de magnesiumvoorraad.
  • Magnesium intracellulairBloedMagnesium in de rode bloedcellen; soms gebruikt als maat voor de voorraad, maar zonder vaste grenswaarden.
  • Mangaan (bloed)BloedMangaan in bloed zegt vooral iets bij een vermoeden van te veel mangaan; een tekort is er slecht mee op te sporen.
  • MethionineBloedEen essentieel aminozuur met zwavel; het lichaam maakt er onder meer homocysteïne en cysteïne van.
  • MethylmalonzuurBloedEen afbraakstof die ophoopt als de cellen te weinig werkzaam vitamine B12 hebben; de gevoeligste maat voor een tekort.
  • Methylmalonzuur (urine)UrineEen afbraakstof die ophoopt als de cellen te weinig werkzaam vitamine B12 hebben; bij twijfel over een B12-tekort.
  • SeleniumBloedHet selenium in je bloed; de waarde volgt vooral de recente inname en een tekort is in Nederland ongebruikelijk.
  • Selenium (urine)UrineSelenium in urine laat zien hoeveel selenium je recent binnenkreeg; het is geen maat voor de seleniumvoorraad.
  • SerineBloedEen aminozuur dat het lichaam zelf maakt uit glucose; nodig voor onder meer glycine en celmembranen.
  • Taurine (urine)UrineEen zwavelhoudend aminozuur uit vlees, vis en energiedrankjes; de waarde in urine volgt vooral de inname.
  • ThreonineBloedEen essentieel aminozuur uit eiwitrijke voeding, nodig voor de opbouw van lichaamseiwitten.
  • TryptofaanBloedEen essentieel aminozuur uit eiwitrijke voeding; grondstof voor serotonine, melatonine en vitamine B3.
  • ValineBloedEen van de drie vertakte-keten-aminozuren (BCAA's) uit eiwitrijke voeding, vooral gebruikt door de spieren.
  • Vitamine ABloedDe hoeveelheid vitamine A (retinol) in het bloed; bij slechte vetopname of een vermoeden van te veel vitamine A.
  • Vitamine B1 (thiamine)BloedDe hoeveelheid thiamine in het bloed; om een tekort vast te stellen bij risicogroepen, zoals bij overmatig alcoholgebruik.
  • Vitamine B12BloedDe totale hoeveelheid vitamine B12 in het bloed; de eerste test bij een vermoeden van een B12-tekort, met een breed grijs gebied.
  • Vitamine B2 (riboflavine)BloedDe hoeveelheid riboflavine in het bloed; een tekort is in Nederland zeldzaam en een uitslag zonder klachten zegt weinig.
  • Vitamine B3 (niacine)BloedDe hoeveelheid vitamine B3 in het bloed; een tekort is in Nederland zeer zeldzaam, te veel kan door supplementen ontstaan.
  • Vitamine B5 (pantotheenzuur)BloedDe hoeveelheid pantotheenzuur in het bloed; een tekort is zeer zeldzaam en de bloedwaarde is er een matige maat voor.
  • Vitamine B6BloedDe hoeveelheid vitamine B6 in het bloed; een tekort is zeldzaam, te veel door supplementen kan zenuwschade geven.
  • Vitamine CBloedDe hoeveelheid vitamine C in het bloed; een ernstig tekort is zeldzaam, een licht tekort komt voor bij eenzijdige voeding.
  • Vitamine D (25-OH)BloedDe voorraadvorm van vitamine D; laat zien of er een tekort is, maar bij gezonde mensen verandert de uitslag het advies meestal niet.
  • Vitamine D 1,25-dihydroxyBloedDe actieve vorm van vitamine D; niet de maat voor een vitamine D-tekort, maar voor kalk- en nierproblemen.
  • Vitamine EBloedDe hoeveelheid vitamine E in het bloed; een tekort komt vrijwel alleen voor bij een ernstige stoornis van de vetopname.
  • Vitamine H (biotine)BloedDe hoeveelheid biotine in het bloed; een tekort is zeldzaam, maar een hoge dosis verstoort veel andere bloedtesten.
  • Vitamine K1BloedDe hoeveelheid vitamine K1 in het bloed; zegt vooral iets over de inname van de laatste dagen.
  • Vitamine K2BloedDe hoeveelheid vitamine K2 in het bloed; een enkele waarde zegt weinig over de vitamine K-status.
  • Vitamine K2 MK-4BloedDe vorm van vitamine K2 die het lichaam zelf maakt; verdwijnt snel uit het bloed, dus één waarde zegt weinig.
  • Vitamine K2 MK-7BloedDe vorm van vitamine K2 uit gefermenteerd voedsel en supplementen; de waarde volgt vooral de inname.
  • ZinkBloedHet zink in je bloed; een tekort is in Nederland zeldzaam en de bloedwaarde zegt weinig over de voorraad in je lichaam.

Ontsteking en afweer19

  • ACEBloedEen enzym dat bij sarcoïdose vaak verhoogd is; ondersteunt de diagnose en het volgen van die ziekte.
  • ANA-screening (antinucleaire antistoffen)BloedZoekt afweerstoffen tegen de eigen celkernen; helpt bij een vermoeden van lupus of een verwante auto-immuunziekte.
  • Anti-CCPBloedAfweerstoffen die vrij specifiek zijn voor reumatoïde artritis; ondersteunen de diagnose bij ontstoken gewrichten.
  • Antilichamen tegen auto-immuunhepatitisBloedEen blot met meerdere leverantistoffen; helpt onderscheiden welke auto-immuunziekte van de lever er speelt.
  • Antimitochondriale antilichamen (AMA)BloedAfweerstoffen tegen de eigen mitochondriën; horen bij onderzoek naar primaire biliaire cholangitis, een leveraandoening.
  • Antistoffen tegen acetylcholinereceptorenBloedAfweerstoffen die de prikkeloverdracht naar de spier blokkeren; horen bij onderzoek naar de spierziekte myasthenia gravis.
  • BezinkingssnelheidBloedHoe snel rode bloedcellen in een buisje zakken; een oude, trage maat voor ontsteking, vooral nuttig bij reumatische ziekten.
  • CRPBloedEen eiwit dat bij ontsteking of infectie snel stijgt; laat zien of er ergens een ontsteking is, niet waar of waardoor.
  • ENA (antistoffen tegen extraheerbare nucleaire antigenen)BloedScreening op afweerstoffen tegen een set kerneiwitten; bij een positieve uitslag volgt uitzoeken welke antistof het is.
  • hs-CRPBloedEen extra gevoelige CRP-meting van lichte, sluimerende ontsteking, gebruikt als aanvullende maat voor hart- en vaatrisico.
  • IgA (immunoglobuline A)BloedDe hoeveelheid IgA-afweerstoffen; laat een IgA-tekort zien, wat ook van belang is bij de coeliakietest.
  • IgG (immunoglobuline G)BloedDe hoeveelheid IgG-afweerstoffen, de belangrijkste afweerstoffen in het bloed; verlaagd bij sommige afweerstoornissen.
  • IgG2BloedEén van de vier subklassen van het antistof IgG; wordt gebruikt bij onderzoek naar een afweerstoornis.
  • IgM (immunoglobuline M)BloedDe hoeveelheid IgM-afweerstoffen, de soort die het lichaam als eerste maakt bij een nieuwe infectie.
  • MPO-ANCABloedAfweerstof tegen het eigen enzym myeloperoxidase; hoort bij onderzoek naar vasculitis, ontsteking van kleine bloedvaten.
  • Pariëtale cel-antilichamenBloedAfweerstoffen tegen de maagzuurcellen; horen bij onderzoek naar auto-immuungastritis en een vitamine B12-tekort.
  • PR3-ANCABloedAfweerstof tegen het eigen enzym proteïnase 3; hoort bij onderzoek naar vasculitis, ontsteking van kleine bloedvaten.
  • ReumafactorBloedAfweerstoffen die bij reuma en Sjögren voorkomen, maar ook bij gezonde mensen en bij andere ziekten.
  • Reumafactor IgM (IgM-RF)BloedHet IgM-type reumafactor; de vorm die reumatologen samen met anti-CCP gebruiken bij een vermoeden van reuma.

Stolling4

  • Cardiolipine antistoffenBloedAfweerstoffen tegen een eigen vetachtig celbestanddeel; horen bij onderzoek naar het antifosfolipidensyndroom.
  • Cardiolipine IgG antistoffenBloedDe IgG-klasse van de cardiolipine-antistoffen; hoort bij onderzoek naar het antifosfolipidensyndroom.
  • Cardiolipine IgM antistoffenBloedDe IgM-klasse van de cardiolipine-antistoffen; vaak tijdelijk verhoogd en daardoor lastiger te duiden dan IgG.
  • FibrinogeenBloedEen stollingseiwit uit de lever dat ook stijgt bij ontsteking; vooral gebruikt bij onderzoek naar bloedingsneiging.

Infecties64

  • Andere schimmels (vaginale uitstrijk)UitstrijkGisten of schimmels in een vaginale uitstrijk die niet apart worden benoemd; zonder klachten meestal zonder betekenis.
  • Anti-HBs (hepatitis B-antistoffen, titer)BloedAntistoffen tegen hepatitis B als getal; laat zien of je beschermd bent na vaccinatie of een genezen infectie.
  • Antistreptolysine titer (AST)BloedAntistoffen tegen een gifstof van de groep A-streptokok; laat zien of je die bacterie in de afgelopen maanden hebt gehad.
  • Aspergillus fumigatus (vaginale uitstrijk)UitstrijkEen schimmel uit lucht en stof; in een vaginale uitstrijk meestal afkomstig uit de omgeving en zonder betekenis.
  • Aspergillus fumigatus IgGBloedAntistoffen tegen een veelvoorkomende schimmel; vooral bruikbaar als steun bij het onderzoek naar een schimmelreactie in de longen.
  • Aspergillus niger (vaginale uitstrijk)UitstrijkEen zwarte schimmel uit voedsel en omgeving; in een vaginale uitstrijk meestal zonder betekenis.
  • Aspergillus-antigeen (galactomannan)BloedTest op een stukje celwand van de schimmel Aspergillus; zegt vooral iets bij mensen met een sterk verminderde afweer.
  • Babesia microti IgGBloedAntistoffen tegen een parasiet die via een tekenbeet rode bloedcellen aantast; in Nederland komt deze ziekte vrijwel niet voor.
  • Bartonella henselae IgG (kattenkrabziekte)BloedAntistoffen tegen de bacterie van de kattenkrabziekte; IgG wijst op contact met de bacterie, vaak al langer geleden.
  • Bartonella henselae IgM (kattenkrabziekte)BloedAntistoffen die kort na een besmetting met de kattenkrabbacterie ontstaan; ze verdwijnen snel en zijn vaak fout-positief.
  • Bifidobacterium species (vaginale uitstrijk)UitstrijkMelkzuurvormende bacteriën die vooral in de darm leven; hun rol in de vagina is niet goed bekend.
  • Borrelia IgG-antistoffen (lymeziekte)BloedScreeningstest op IgG-antistoffen tegen de lymebacterie; een positieve uitslag moet met een immunoblot worden bevestigd.
  • Borrelia IgM-antistoffen (lymeziekte)BloedScreeningstest op IgM-antistoffen tegen de lymebacterie; IgM wijst op een recente infectie, maar is vaak fout-positief.
  • Borrelia-immunoblot IgG (lymeziekte)BloedBevestigingstest op IgG-antistoffen tegen de lymebacterie; die blijven na een infectie jarenlang aantoonbaar.
  • Borrelia-immunoblot IgM (lymeziekte)BloedBevestigingstest op IgM-antistoffen tegen de lymebacterie, bedoeld na een positieve screeningstest bij passende klachten.
  • Candida (vaginale uitstrijk)UitstrijkTest op de gist Candida in een vaginale uitstrijk; zonder klachten hoort deze gist bij de normale flora.
  • Candida albicans (vaginale uitstrijk)UitstrijkDe gist achter de meeste vaginale schimmelinfecties; leeft bij veel vrouwen ook zonder klachten in de vagina.
  • Candida albicans IgABloedIgA-antistoffen tegen de gist Candida; komen ook bij gezonde mensen voor en zeggen op zichzelf weinig.
  • Candida albicans IgGBloedIgG-antistoffen tegen de gist Candida; zeggen bij gezonde mensen weinig, omdat veel mensen deze gist bij zich dragen.
  • Candida glabrata (vaginale uitstrijk)UitstrijkEen gist die soms in de vagina voorkomt, vaak zonder klachten; minder gevoelig voor fluconazol.
  • Candida krusei (vaginale uitstrijk)UitstrijkEen gist die soms in de vagina wordt gevonden, meestal zonder klachten; ongevoelig voor fluconazol.
  • Candida parapsilosis (vaginale uitstrijk)UitstrijkEen gist die vooral op de huid leeft en soms in de vagina wordt gevonden; geeft daar zelden klachten.
  • Candida tropicalis (vaginale uitstrijk)UitstrijkEen gist die soms in de vagina voorkomt, meestal zonder klachten; kan bij klachten een schimmelinfectie geven.
  • Candida-antigeenBloedZoekt deeltjes van de gist Candida in het bloed; bedoeld voor ernstig zieke patiënten of mensen met een zwakke afweer.
  • CMV IgGBloedAntistoffen die laten zien of je ooit een infectie met het cytomegalovirus (CMV) hebt doorgemaakt.
  • CMV IgMBloedAntistoffen die kunnen wijzen op een recente CMV-infectie; alleen goed te duiden samen met IgG.
  • Coxiella burnetii fase 1 IgG (Q-koorts)BloedAntistoffen tegen het fase 1-eiwit van de Q-koortsbacterie; een sterk verhoogde titer past bij chronische Q-koorts.
  • Coxiella burnetii fase 2 IgM (Q-koorts)BloedDe eerste antistof die bij Q-koorts opkomt; alleen een positieve fase 2-IgM is nog geen bewijs van een acute infectie.
  • Difterie-antitoxine (antistoffen)BloedAntistoffen tegen het difterietoxine; laten zien hoe goed je door vaccinatie beschermd bent, niet of je difterie hebt.
  • EBNA IgGBloedAntistoffen tegen het epstein-barrvirus die pas maanden na de infectie ontstaan; passen bij een Pfeiffer van langer geleden.
  • EBV blot (bevestigingstest)BloedBevestigende immunoblot bij antistoffen tegen het epstein-barrvirus; helpt een onduidelijk uitslagpatroon te ordenen.
  • EBV IgG antistoffen (VCA-IgG)BloedAntistoffen die laten zien of je ooit het epstein-barrvirus hebt gehad, het virus dat de ziekte van Pfeiffer geeft.
  • EBV IgM antistoffen (VCA-IgM)BloedAntistoffen die kunnen wijzen op een recente infectie met het epstein-barrvirus, zoals bij de ziekte van Pfeiffer.
  • Enterococcus species (vaginale uitstrijk)UitstrijkDarmbacteriën die ook in de vagina voorkomen; zonder klachten meestal zonder betekenis.
  • Hantavirus Hantaan IgGBloedIgG-antistoffen tegen het hantaanvirus, een hantavirus dat in Azië voorkomt en niet in Nederland circuleert.
  • Hantavirus IgMBloedAntistoffen die kort na een hantavirusinfectie ontstaan; de belangrijkste test bij plotselinge koorts met nierklachten.
  • Hantavirus Puumala IgGBloedIgG-antistoffen tegen het puumalavirus, het hantavirus dat in Nederland voorkomt; ze blijven na een infectie lang aanwezig.
  • Hepatitis A IgG/IgM combi (anti-HAV)BloedAntistoffen tegen het hepatitis A-virus: laat zien of je de infectie nu doormaakt, ooit hebt gehad of bent gevaccineerd.
  • Lactobacillus species (vaginale uitstrijk)UitstrijkMelkzuurbacteriën die de vagina licht zuur houden; bij vrouwen in de vruchtbare leeftijd de belangrijkste bacteriën.
  • Legionella pneumophila-antigeen in urineUrineSneltest op een stukje van de legionellabacterie in urine; bij veteranenziekte vaak al vanaf de derde ziektedag positief.
  • Legionella species IgGBloedAntistoffen tegen legionellabacteriën; ze komen laat op gang en zijn niet bruikbaar om een acute longontsteking vast te stellen.
  • Legionella species IgMBloedAntistoffen die bij een legionella-infectie als eerste opkomen; ze blijven lang aanwezig en wijzen niet altijd op iets recents.
  • Leptospirose IgM-antistoffenBloedAntistoffen die kort na een besmetting met leptospiren ontstaan, de bacteriën achter modderkoorts en de ziekte van Weil.
  • Malariaparasiet (dikke druppel)BloedMicroscopisch onderzoek van bloed op malariaparasieten: het standaardonderzoek bij koorts na verblijf in een malariagebied.
  • Mucor species (vaginale uitstrijk)UitstrijkEen schimmel uit de grond en van bedorven voedsel; in een vaginale uitstrijk meestal zonder betekenis.
  • Parvovirus B19 IgGBloedAntistoffen tegen het virus van de vijfde ziekte; laat zien of je de infectie hebt doorgemaakt en beschermd bent.
  • Plasmodium falciparum antigeenBloedSneltest op een eiwit van Plasmodium falciparum, de malariaparasiet die de ernstigste vorm van de ziekte veroorzaakt.
  • Plasmodium malariae antigeenBloedSneltest op een eiwit van Plasmodium malariae; een milde malariasoort die jaren na de besmetting nog klachten kan geven.
  • Plasmodium ovale antigeenBloedSneltest op een eiwit van Plasmodium ovale; een meestal milde malariasoort die later kan terugkomen vanuit de lever.
  • Plasmodium vivax antigeenBloedSneltest op een eiwit van Plasmodium vivax; deze malariasoort kan maanden tot jaren later terugkomen vanuit de lever.
  • Q-koorts fase II, Coxiella burnetii IgGBloedIgG-antistoffen tegen het fase 2-eiwit van de Q-koortsbacterie; ze tonen contact met de bacterie en blijven lang aanwezig.
  • Q-koorts, Coxiella burnetii IgMBloedAntistoffen die kort na een besmetting met de Q-koortsbacterie ontstaan; op zichzelf zeggen ze weinig.
  • Quantiferontest TBC (IGRA)BloedBloedtest die laat zien of je besmet bent geraakt met de tuberculosebacterie; zegt niet of je ziek bent.
  • Schimmels (vaginale uitstrijk)UitstrijkGeeft aan of er gisten of schimmels in een vaginale uitstrijk groeien; zonder klachten zegt dat weinig.
  • Strongyloides-antistoffenBloedAntistoftest op de draadworm Strongyloides stercoralis; zegt vooral iets bij mensen die in een tropisch gebied hebben gewoond of gereisd.
  • Toxocara IgGBloedAntistoffen tegen de spoelworm van hond en kat; veel mensen hebben ze zonder ooit ziek te zijn geweest.
  • Toxoplasma gondii antilichamenBloedZoektest op antistoffen tegen de toxoplasmose-parasiet; laat zien of je de infectie ooit hebt opgelopen.
  • Toxoplasmose IgGBloedAntistoffen die laten zien of je ooit toxoplasmose hebt gehad; vooral gebruikt bij een kinderwens of zwangerschap.
  • Toxoplasmose IgMBloedAntistoffen die kunnen wijzen op een recente toxoplasmose-infectie; alleen goed te duiden samen met IgG.
  • Varicella zoster antilichamen (IgG)BloedAntistoffen tegen het waterpokkenvirus; laat zien of je beschermd bent, vooral van belang bij een kinderwens of zwangerschap.
  • Varicella zoster virus IgMBloedAntistoffen die kunnen wijzen op een recente infectie met het waterpokkenvirus; als losse test weinig betrouwbaar.
  • Varicella-zoster IgABloedEen antistofklasse tegen het waterpokkenvirus waarvan de betekenis weinig is onderzocht; zegt niets over bescherming.
  • Zika-virus IgGBloedAntistoffen die wijzen op een eerder doorgemaakte infectie met het zikavirus; sterk verstoord door kruisreactie.
  • Zika-virus IgMBloedAntistoffen die kunnen wijzen op een recente infectie met het zikavirus; lastig te duiden door kruisreactie met dengue.

Soa20

  • Chlamydia trachomatis IgGBloedAntistoffen tegen de chlamydiabacterie in bloed; wijzen op een eerdere infectie, niet op een infectie die er nu is.
  • Chlamydia trachomatis PCR (urine)UrinePCR-test op erfelijk materiaal van de chlamydiabacterie in de eerste portie urine; toont een actuele infectie van de plasbuis aan.
  • Gonorroe (Neisseria gonorrhoeae) PCR (urine)UrinePCR-test op erfelijk materiaal van de gonorroebacterie in de eerste portie urine; toont een actuele infectie van de plasbuis aan.
  • Hepatitis B-oppervlakte-antigeen (HBsAg)BloedEiwit van het hepatitis B-virus zelf; laat zien of je nu een hepatitis B-infectie hebt en besmettelijk bent.
  • Hepatitis C-antistoffen (anti-HCV)BloedAntistoffen tegen het hepatitis C-virus; laat zien of je ooit met hepatitis C besmet bent geweest.
  • Herpes simplex virus type 1 PCR (urine)UrinePCR-test op herpes simplex type 1 in urine; minder gevoelig dan een swab van een blaasje en zonder klachten weinig zeggend.
  • Herpes simplex virus type 1-antistoffen (HSV-1 IgG)BloedTypespecifieke antistoffen tegen herpes simplex type 1, het virus van de koortslip en soms van genitale herpes.
  • Herpes simplex virus type 2 PCR (urine)UrinePCR-test op herpes simplex type 2 in urine; minder gevoelig dan een swab van een blaasje en zonder klachten weinig zeggend.
  • Herpes simplex virus type 2-antistoffen (HSV-2 IgG)BloedTypespecifieke IgG-antistoffen tegen herpes simplex type 2; wijzen op een eerder opgelopen genitale herpesinfectie.
  • Hiv-1/2-combinatietest (antigeen en antistoffen)BloedTest op hiv-1 en hiv-2 die zowel een deel van het virus als antistoffen zoekt; hiv breekt zonder behandeling de afweer af.
  • HSV-1/2 IgG (herpes simplex, niet uitgesplitst)BloedIgG-antistoffen tegen herpes simplex type 1 en 2 samen; toont een oude herpesinfectie zonder te zeggen welk type.
  • HSV-1/2 IgM (herpes simplex)BloedIgM-antistoffen tegen herpes simplex type 1 en 2; hooguit een aanwijzing voor een recente eerste infectie.
  • Mycoplasma genitalium PCR (urine)UrinePCR-test op Mycoplasma genitalium in de eerste portie urine; zegt het meest bij langdurige plasbuisklachten of een behandelde partner.
  • Mycoplasma hominis PCR (urine)UrinePCR-test op Mycoplasma hominis in urine; komt vaak zonder klachten voor, dus een positieve uitslag zegt weinig.
  • Syfilis-antistoffenBloedScreeningstest op antistoffen tegen de syfilisbacterie; positief bij een actieve of een eerder doorgemaakte syfilis.
  • TPHA (syfilis)BloedTest op antistoffen tegen de syfilisbacterie; positief bij een actieve syfilis en ook na een eerder behandelde syfilis.
  • TPHA-titer (syfilis)BloedTiterbepaling van antistoffen tegen de syfilisbacterie; blijft na een behandelde syfilis meestal levenslang positief.
  • Trichomonas vaginalis PCR (urine)UrinePCR-test op erfelijk materiaal van de parasiet Trichomonas vaginalis in de eerste portie urine; toont een actuele infectie aan.
  • Ureaplasma parvum PCR (urine)UrinePCR-test op Ureaplasma parvum in urine; komt heel vaak zonder klachten voor, dus een positieve uitslag zegt weinig.
  • Ureaplasma urealyticum PCR (urine)UrinePCR-test op Ureaplasma urealyticum in urine; komt vaak zonder klachten voor, dus een positieve uitslag zegt weinig.

Darm134

  • Acetaat- en propionaatproductieOntlastingEen berekende schatting van hoeveel azijnzuur en propionzuur de darmbacteriën kunnen maken; geen meting van de stof.
  • Acetaat- en propionaatvormende bacteriënOntlastingDe opgetelde hoeveelheid bacteriën die uit vezels azijnzuur of propionzuur kunnen maken.
  • Akkermansia, activiteitOntlastingEen maat voor de activiteit van Akkermansia, een bacterie die in de slijmlaag van de darmwand leeft.
  • Alfa-1-antitrypsine (feces)OntlastingEen bloedeiwit in de ontlasting; een maat voor eiwitverlies via de darmwand, gebruikt in het ziekenhuis bij een specifieke vraag.
  • Anti-gliadine IgA (feces)OntlastingAntistoffen tegen een deel van gluten, gemeten in de ontlasting; niet geschikt om coeliakie vast te stellen.
  • Anti-transglutaminase IgA (feces)OntlastingCoeliakie-antistoffen gemeten in de ontlasting in plaats van in bloed; niet geschikt om coeliakie vast te stellen.
  • Aspergillus fumigatus (feces)OntlastingEen schimmel uit de omgeving die met lucht en eten in de darm komt; in de ontlasting meestal zonder betekenis.
  • Aspergillus niger (feces)OntlastingEen zwarte schimmel die veel op voedsel voorkomt; in de ontlasting meestal afkomstig van eten en zonder betekenis.
  • Azijnzuur (feces)OntlastingDe hoeveelheid azijnzuur in de ontlasting, een korteketenvetzuur dat darmbacteriën maken uit vezels.
  • Azijnzuur, relatief (feces)OntlastingHet aandeel azijnzuur in de korteketenvetzuren in de ontlasting, berekend als percentage.
  • Bacteroides-groep, activiteitOntlastingEen maat voor de activiteit van de Bacteroides-groep, een van de grootste bacteriegroepen in de dikke darm.
  • Bèta-defensine 2 (feces)OntlastingEen afweereiwit van het darmslijmvlies; een onderzoeksmeting waarvan de betekenis voor de gezondheid niet vaststaat.
  • Bifidobacteriën-groep, activiteitOntlastingEen maat voor de activiteit van bifidobacteriën, melkzuurvormende bacteriën die vooral vezels en suikers afbreken.
  • BiodiversiteitOntlastingEen berekende maat voor hoeveel verschillende bacteriesoorten in de ontlasting zijn gevonden.
  • Boterzuur (feces)OntlastingDe hoeveelheid boterzuur in de ontlasting, een korteketenvetzuur dat darmbacteriën maken uit vezels.
  • Boterzuur, relatief (feces)OntlastingHet aandeel boterzuur in de korteketenvetzuren in de ontlasting, berekend als percentage.
  • ButyraatproductieOntlastingEen berekende schatting van hoeveel boterzuur de darmbacteriën kunnen maken; geen meting van de stof zelf.
  • Butyraatvormende bacteriënOntlastingDe opgetelde hoeveelheid bacteriën die uit vezels boterzuur kunnen maken.
  • Butyrivibrio-groep, activiteitOntlastingEen maat voor de activiteit van de Butyrivibrio-groep, bacteriën die uit vezels boterzuur maken.
  • Calprotectine (feces)OntlastingEen ontstekingseiwit in de ontlasting; helpt bij darmklachten om een darmontsteking te onderscheiden van een prikkelbare darm.
  • Candida albicans (feces)OntlastingDe meest voorkomende gist op huid en slijmvliezen; wordt bij veel gezonde mensen in de ontlasting gevonden.
  • Candida glabrata (feces)OntlastingEen gist die ook bij gezonde mensen in de darm voorkomt; minder gevoelig voor sommige middelen tegen schimmels.
  • Candida krusei (feces)OntlastingEen gist die ook in gefermenteerd voedsel voorkomt; in de ontlasting bij gezonde mensen meestal zonder betekenis.
  • Candida parapsilosis (feces)OntlastingEen gist die vooral op de huid leeft en soms in de ontlasting wordt gevonden; zonder klachten meestal zonder betekenis.
  • Candida spp. (feces)OntlastingAlle gisten uit het geslacht Candida samen; worden bij veel gezonde mensen in de ontlasting gevonden.
  • Candida tropicalis (feces)OntlastingEen gist die bij een deel van de gezonde mensen in de darm voorkomt; zonder klachten meestal zonder betekenis.
  • Citrobacter-soortenOntlastingDe hoeveelheid Citrobacter, darmbacteriën die normaal in kleine aantallen voorkomen.
  • Clostridia-groepOntlastingDe hoeveelheid bacteriën uit de Clostridia, een grote en gevarieerde bacterieklasse in de dikke darm.
  • Clostridia-groep, activiteitOntlastingEen maat voor de activiteit van de Clostridia, een grote en gevarieerde bacterieklasse in de dikke darm.
  • Clostridioides (Clostridium) difficile (feces)OntlastingTest op de darmbacterie C. difficile en haar gifstoffen; alleen zinvol bij diarree, vooral tijdens of na antibiotica.
  • Clostridium baratiiOntlastingDe hoeveelheid Clostridium baratii in de ontlasting, een zelden voorkomende Clostridium-soort.
  • Clostridium bifermentansOntlastingDe hoeveelheid Clostridium bifermentans in de ontlasting, een Clostridium-soort uit bodem en darm.
  • Clostridium histolyticumOntlastingDe hoeveelheid Clostridium histolyticum in de ontlasting, een Clostridium-soort uit bodem en darm.
  • Clostridium septicumOntlastingDe hoeveelheid Clostridium septicum in de ontlasting, een Clostridium-soort die soms in de darm voorkomt.
  • Clostridium sordelliiOntlastingDe hoeveelheid Clostridium sordellii (tegenwoordig Paeniclostridium sordellii) in de ontlasting.
  • Clostridium tetaniOntlastingDe hoeveelheid Clostridium tetani in de ontlasting, een bacterie uit bodem en mest; geen test op tetanus.
  • Clostridium-soortenOntlastingDe hoeveelheid Clostridium-bacteriën, een groep met veel gewone darmbewoners en enkele ziekteverwekkers.
  • Consistentie (feces)OntlastingHoe vast of dun de ontlasting is; beschrijft de ontlasting op het moment van afname.
  • Cryptosporidium (feces)OntlastingTest op de parasiet Cryptosporidium in de ontlasting; een oorzaak van waterdunne diarree, vooral bij kinderen.
  • CyanobacteriaOntlastingEen signaal van cyanobacteriën in de ontlasting, dat voor een groot deel uit plantaardig voedsel komt.
  • D-arabinitolUrineEen suikeralcohol die onder meer door gisten zoals Candida wordt gemaakt; niet geschikt om gist in de darm vast te stellen.
  • Desulfovibrio-groep, activiteitOntlastingEen maat voor de activiteit van de Desulfovibrio-groep, bacteriën die sulfaat omzetten in waterstofsulfide.
  • DiversiteitOntlastingEen berekende maat voor hoeveel verschillende bacteriesoorten in de ontlasting zijn gevonden.
  • Diversiteit, totaalOntlastingEen berekende maat voor hoeveel verschillende bacteriesoorten in totaal in de ontlasting zijn gevonden.
  • Eiwitten (feces)OntlastingDe hoeveelheid eiwit in de ontlasting; geeft een indruk van de eiwitvertering, maar hangt sterk af van voeding.
  • Entamoeba histolytica (feces)OntlastingTest op de parasiet Entamoeba histolytica in de ontlasting; oorzaak van amoebendysenterie, vooral na reizen.
  • Enterobacter-soortenOntlastingDe hoeveelheid Enterobacter, darmbacteriën die normaal in kleine aantallen voorkomen.
  • Enterobacteriaceae, groep 1OntlastingEen groep darmbacteriën uit de familie Enterobacteriaceae, waaronder Proteus-soorten.
  • Enterobacteriaceae, groep 2OntlastingEen groep darmbacteriën uit de familie Enterobacteriaceae, waaronder Klebsiella en Enterobacter.
  • Enterococcus-soortenOntlastingDe hoeveelheid enterokokken, darmbacteriën die normaal in kleinere aantallen voorkomen.
  • EPX, eosinofiel proteïne X (feces)OntlastingEen eiwit uit eosinofielen, witte bloedcellen die bij allergie en parasieten actief zijn; de betekenis in ontlasting staat niet vast.
  • Ernst van dysbioseOntlastingEen score van het laboratorium voor hoe sterk de darmflora afwijkt van zijn vergelijkingsgroep; zonder vaste definitie.
  • Escherichia coliOntlastingDe hoeveelheid E. coli, een gewone darmbacterie; de meeste typen zijn onschuldig.
  • Escherichia-soortenOntlastingDe hoeveelheid Escherichia-bacteriën, waartoe E. coli behoort; de meeste typen zijn onschuldig.
  • Faecalibacteriën, activiteitOntlastingEen maat voor de activiteit van Faecalibacterium, een veelvoorkomende bacterie in de dikke darm die boterzuur maakt.
  • Firmicutes/Bacteroidetes-verhoudingOntlastingDe verhouding tussen twee grote groepen darmbacteriën; volgens internationale deskundigen niet bruikbaar.
  • Fusobacteria-groep, activiteitOntlastingEen maat voor de activiteit van Fusobacteria, bacteriën die vooral in de mond en in kleine aantallen in de darm leven.
  • Galzuren (feces)OntlastingGalzuren in de ontlasting; te veel galzuren in de dikke darm kan diarree geven, maar een losse portie zegt weinig.
  • Geotrichum candidum (feces)OntlastingEen gistachtige schimmel uit zuivel en voedsel; wordt ook bij gezonde mensen in de ontlasting gevonden.
  • Giardia lamblia (feces)OntlastingTest op de parasiet Giardia in de ontlasting; een oorzaak van langdurige diarree, ook na reizen.
  • Gisten en schimmels activiteit (feces)OntlastingSamenvattende inschatting van de hoeveelheid gisten en schimmels in de ontlasting; zegt bij mensen zonder klachten weinig.
  • Hafnia alveiOntlastingDe hoeveelheid Hafnia alvei, een bacterie uit de familie van E. coli die ook in voeding zoals kaas voorkomt.
  • Helicobacter pylori (feces)OntlastingTest op de maagbacterie in de ontlasting; wordt gebruikt bij aanhoudende maagklachten en na een behandeling tegen de bacterie.
  • Helicobacter pylori IgABloedIgA-antistoffen tegen de maagbacterie in bloed; minder goed onderzocht dan IgG en niet geschikt om een actieve infectie aan te tonen.
  • Helicobacter pylori IgGBloedAntistoffen tegen de maagbacterie in bloed; laten zien dat je ooit besmet bent, niet of de bacterie er nu nog is.
  • Hemoglobine in ontlastingOntlastingEen spoor bloed in de ontlasting, als ontstekingsmarker van het darmslijmvlies in een darmpakket.
  • Histamine (feces)OntlastingHistamine in de ontlasting, uit voeding, darmbacteriën en afweercellen; toont geen voedselallergie of histamine-intolerantie aan.
  • HPL-complexUrineEen pyrroolverbinding in urine die sommige aanbieders koppelen aan 'kryptopyrrolurie'; de betekenis is niet vastgesteld.
  • IndicanUrineEen afbraakproduct van eiwit dat darmbacteriën en de lever maken; de waarde volgt vooral eiwit- en vezelinname.
  • Klebsiella-soortenOntlastingDe hoeveelheid Klebsiella, darmbacteriën die normaal in kleine aantallen voorkomen.
  • Kleur (feces)OntlastingDe kleur van de ontlasting; hangt vooral af van voeding en gal, en beschrijft de ontlasting op het moment van afname.
  • KolonisatieresistentieOntlastingEen berekende maat van het laboratorium voor hoe goed de darmflora ziekteverwekkers zou tegenhouden; niet gestandaardiseerd.
  • LactaatproductieOntlastingEen berekende schatting van hoeveel melkzuur de darmbacteriën kunnen maken; geen meting van de stof zelf.
  • Lactaatvormende en suikerafbrekende bacteriënOntlastingDe opgetelde hoeveelheid bacteriën die suikers en vezels afbreken en daarbij melkzuur kunnen maken.
  • Lactobacillus-groep, activiteitOntlastingEen maat voor de activiteit van lactobacillen, melkzuurvormende bacteriën die ook in gefermenteerde voeding zitten.
  • Lactoferrine (feces)OntlastingEen ontstekingseiwit uit witte bloedcellen in de ontlasting; vergelijkbaar met calprotectine, maar zonder vaste afkapwaarde.
  • LPS-dragende bacteriënOntlastingDe opgetelde hoeveelheid darmbacteriën met lipopolysacharide (LPS) in hun celwand, zoals E. coli.
  • Lysozym (feces)OntlastingEen afweerenzym dat bacteriewanden afbreekt, gemeten in de ontlasting; wat de uitslag betekent, is niet vastgesteld.
  • Methaanvormende micro-organismenOntlastingDe opgetelde hoeveelheid micro-organismen in de darm die methaangas maken.
  • Mucine-afbrekende bacteriënOntlastingDe opgetelde hoeveelheid bacteriën die het slijm (mucine) op de darmwand afbreken, zoals Akkermansia.
  • MucinedegradatiequotiëntOntlastingEen berekende verhouding van het laboratorium rond bacteriën die het slijm op de darmwand afbreken.
  • Mucor species (feces)OntlastingEen schimmel die op brood, fruit en in de grond groeit; in de ontlasting meestal afkomstig van eten en zonder betekenis.
  • Mycologie (feces)OntlastingKweek van de ontlasting op gisten en schimmels; zonder klachten zegt een positieve uitslag weinig.
  • Overige gisten (feces)OntlastingGisten in de ontlasting die niet apart worden benoemd; meestal afkomstig uit voedsel en zonder betekenis.
  • Overige schimmels (feces)OntlastingSchimmels in de ontlasting die niet apart worden benoemd; meestal afkomstig uit voedsel of de omgeving.
  • Oxalobacter-groep, activiteitOntlastingEen maat voor de activiteit van Oxalobacter, bacteriën die oxalaat uit de voeding afbreken.
  • p-CresolUrineEen afbraakproduct van het aminozuur tyrosine dat darmbacteriën maken; de waarde volgt vooral eiwit- en vezelinname.
  • Pancreas-elastase (feces)OntlastingEen verteringsenzym uit de alvleesklier, gemeten in de ontlasting; laat zien of de alvleesklier genoeg verteringssappen maakt.
  • Parasitologie (feces)OntlastingOnderzoek van de ontlasting op parasieten en wormen; zinvol bij aanhoudende diarree of darmklachten na reizen.
  • Parasitologie TFT (feces)OntlastingOnderzoek op parasieten en wormen in ontlasting van drie dagen; zinvol bij aanhoudende diarree of na reizen.
  • pH (feces)OntlastingDe zuurgraad van de ontlasting; hangt vooral af van voeding en darmpassage, en zegt op zichzelf weinig.
  • PMN-elastase (feces)OntlastingEen enzym uit witte bloedcellen in de ontlasting; een ontstekingsmarker die minder goed is onderzocht dan calprotectine.
  • PotentieOntlastingEen samengestelde score van het laboratorium over de darmflora; de berekening is niet gestandaardiseerd.
  • Prevotella-groep, activiteitOntlastingEen maat voor de activiteit van de Prevotella-groep, bacteriën die plantaardige vezels afbreken.
  • Prevotella/Bacteroides-verhoudingOntlastingDe verhouding tussen Prevotella en Bacteroides, twee groepen darmbacteriën die vaak elkaars plaats innemen.
  • Propionzuur (feces)OntlastingDe hoeveelheid propionzuur in de ontlasting, een korteketenvetzuur dat darmbacteriën maken uit vezels.
  • Propionzuur, relatief (feces)OntlastingHet aandeel propionzuur in de korteketenvetzuren in de ontlasting, berekend als percentage.
  • Proteobacteriën-groep, activiteitOntlastingEen maat voor de activiteit van de Proteobacteriën, een groep waartoe onder andere E. coli behoort.
  • Proteus-soortenOntlastingDe hoeveelheid Proteus, darmbacteriën die normaal in kleine aantallen voorkomen.
  • Protozoën (feces)OntlastingOnderzoek van de ontlasting op eencellige parasieten, zoals Giardia; zinvol bij aanhoudende diarree of na reizen.
  • Providencia-soortenOntlastingDe hoeveelheid Providencia, bacteriën uit de familie van E. coli die zelden in de darm voorkomen.
  • Pseudomonas-soortenOntlastingDe hoeveelheid Pseudomonas, bacteriën uit water en bodem die soms in kleine aantallen in de darm voorkomen.
  • Resident darmbioomOntlastingDe bacteriën die zich blijvend in de darm vestigen; beschrijft de vaste kern van de darmflora in een portie ontlasting.
  • Resident en transiënt darmbioomOntlastingEen overzicht van de blijvende en de tijdelijke bacteriën in de darmflora in een portie ontlasting.
  • Ruminococcus-groep, activiteitOntlastingEen maat voor de activiteit van de Ruminococcus-groep, bacteriën die moeilijk verteerbare vezels afbreken.
  • Salmonella species (feces)OntlastingTest op de bacterie Salmonella in de ontlasting; een bekende oorzaak van voedselinfecties met diarree en koorts.
  • Secretoir IgA (feces)OntlastingEen antistof die het darmslijmvlies afgeeft; wat de uitslag voor je gezondheid betekent, staat niet vast.
  • Shigella species (feces)OntlastingTest op de bacterie Shigella in de ontlasting; oorzaak van bacillaire dysenterie en meldingsplichtig.
  • SkatolUrineEen stof die darmbacteriën maken uit het aminozuur tryptofaan; de waarde volgt vooral eiwitinname.
  • Spiervezels (feces)OntlastingOnverteerde spiervezels uit vlees of vis in de ontlasting; geeft een indruk van de eiwitvertering, maar hangt sterk af van voeding.
  • Spijsvertering-pH (feces)OntlastingDe zuurgraad van de ontlasting, gemeten als onderdeel van het verteringsonderzoek; hangt sterk af van voeding.
  • Suikergehalte (feces)OntlastingSuikers die niet zijn opgenomen en in de ontlasting terechtkomen; kan passen bij een slechte opname van suikers.
  • Sulfaatreducerende bacteriënOntlastingDe opgetelde hoeveelheid bacteriën die sulfaat omzetten in waterstofsulfide, zoals Desulfovibrio.
  • Totaal aantal bacteriënOntlastingDe totale hoeveelheid bacteriën in een portie ontlasting.
  • Transferrine in ontlastingOntlastingEen bloedeiwit in de ontlasting, als ontstekingsmarker van het darmslijmvlies in een darmpakket.
  • Transglutaminase (tTG) IgABloedAntistoffen die het lichaam bij coeliakie maakt; de eerste bloedtest bij een vermoeden van coeliakie, alleen betrouwbaar als je gluten eet.
  • Transglutaminase (tTG) IgGBloedCoeliakie-antistoffen van het type IgG; vooral van waarde bij mensen die te weinig IgA maken, alleen betrouwbaar als je gluten eet.
  • Transiënt darmbioomOntlastingBacteriën die tijdelijk in de darm verblijven, bijvoorbeeld via voeding; beschrijft het wisselende deel van de darmflora.
  • Transiënte biotaOntlastingMicro-organismen die tijdelijk in de darm verblijven, bijvoorbeeld via voeding; het wisselende deel van de darmflora.
  • Tryptofaan (feces)OntlastingEen bouwsteen van eiwit die in de ontlasting wordt gemeten; de betekenis voor de gezondheid is niet vastgesteld.
  • Type dysbioseOntlastingEen indeling van het laboratorium van de darmflora in een type verstoring; zonder vaste definitie of medische betekenis.
  • Vetten (feces)OntlastingOnverteerd vet in de ontlasting; kan wijzen op een slechte vetvertering, maar een losse portie is onbetrouwbaar.
  • Vetzepen (feces)OntlastingVetzuren die in de ontlasting aan kalk zijn gebonden; geeft een indruk van de vetopname, maar hangt sterk af van voeding.
  • Vetzuren totaal (feces)OntlastingDe totale hoeveelheid vetzuren in de ontlasting; geeft een indruk van de vetopname, maar hangt sterk af van voeding.
  • Vetzurenprofiel darmOntlastingEen overzicht van de korteketenvetzuren in de ontlasting: azijnzuur, propionzuur en boterzuur.
  • Virulente factorenOntlastingZoekt naar kenmerken van darmbacteriën die in onderzoek met ziekmakende eigenschappen worden verbonden; geen infectietest.
  • Virulente factoren darmbioomOntlastingZoekt naar genen van darmbacteriën die in onderzoek met ziekmakende eigenschappen worden verbonden; geen test op een infectie.
  • Virulente factoren darmbioom (kwalitatief)OntlastingGeeft aan of genen van darmbacteriën met ziekmakende eigenschappen zijn gevonden; geen test op een infectie.
  • Watergehalte (feces)OntlastingHoeveel water de ontlasting bevat; een maat voor hoe dun of vast de ontlasting is op het moment van afname.
  • Wormeitjes (feces)OntlastingOnderzoek van de ontlasting op eitjes van darmwormen; vooral zinvol bij klachten na een verblijf in warmere landen.
  • Wormen (feces)OntlastingOnderzoek van de ontlasting op wormen of stukjes daarvan, zoals aarsmaden of lintworm.
  • Yersinia species (feces)OntlastingTest op de bacterie Yersinia in de ontlasting; een minder vaak voorkomende oorzaak van diarree en buikpijn.
  • Zetmeel (feces)OntlastingOnverteerd zetmeel in de ontlasting; geeft een indruk van de vertering van koolhydraten, maar hangt sterk af van voeding.
  • Zonuline (feces)OntlastingEen eiwit dat met de doorlaatbaarheid van de darmwand in verband wordt gebracht; niet gevalideerd en toont geen "lekkende darm" aan.

Allergie en intolerantie14

  • Alpha-gal antilichamenBloedIgE tegen een suiker uit rood vlees; hoort bij een allergie voor vlees die pas uren na het eten klachten geeft.
  • Huisstofmijt specifiek IgEBloedAntistoffen tegen huisstofmijt; laat zien of het afweersysteem gevoelig is voor huisstofmijt, niet of je er klachten van krijgt.
  • IgE antilichamen kabeljauwBloedAntistoffen tegen viseiwit; laat zien of het afweersysteem gevoelig is voor kabeljauw, niet of je er klachten van krijgt.
  • IgE antilichamen kippeneiBloedAntistoffen tegen ei-eiwit; laat zien of het afweersysteem gevoelig is voor kippenei, niet of je er klachten van krijgt.
  • IgE antilichamen koemelkBloedAntistoffen tegen melkeiwit; laat zien of het afweersysteem gevoelig is voor koemelk, niet of je er klachten van krijgt.
  • IgE antilichamen pindaBloedAntistoffen tegen pinda-eiwit; laat zien of het afweersysteem gevoelig is voor pinda, niet of je er klachten van krijgt.
  • IgE antilichamen sojaBloedAntistoffen tegen soja-eiwit; laat zien of het afweersysteem gevoelig is voor soja, niet of je er klachten van krijgt.
  • IgE antilichamen tarweBloedAntistoffen tegen tarwe-eiwit; laat zien of het afweersysteem gevoelig is voor tarwe. Het is geen test op coeliakie.
  • IgE totaalBloedDe totale hoeveelheid IgE in je bloed; een algemene maat, die op zichzelf niet laat zien waar je allergisch voor bent.
  • IgE voedingsallergenenBloedEen panel IgE-bepalingen tegen veelvoorkomende voedingsmiddelen; toont sensibilisatie, geen allergie.
  • IgE-allergenen mix grootBloedEen breed panel IgE-bepalingen tegen inhalatie- en voedingsallergenen; toont sensibilisatie, geen allergie.
  • IgE-allergenen mix kleinBloedEen panel IgE-bepalingen tegen veelvoorkomende inhalatieallergenen; toont sensibilisatie, geen allergie.
  • Methylhistamine (urine)UrineMethylhistamine in urine is een afbraakproduct van histamine; de uitslag zegt vooral iets bij een vermoeden van mastocytose.
  • TryptaseBloedEen eiwit uit mestcellen; de rustwaarde zegt iets over het aantal mestcellen, kort na een heftige allergische reactie stijgt het.

Metalen, gifstoffen en medicijnen20

  • Arseen (bloed)BloedArseen in bloed laat zien of je kort geleden arseen hebt binnengekregen, meestal via vis, schaaldieren of rijst.
  • Arseen in haarHaarEen giftig halfmetaal dat je vooral binnenkrijgt via rijst en rijstproducten, en in sommige gebieden via grondwater uit een eigen put.
  • Cadmium (bloed)BloedCadmium in bloed laat zien hoeveel cadmium je recent hebt binnengekregen; roken is in Nederland de grootste bron.
  • CDTBloedEen vorm van het ijzertransporteiwit transferrine die toeneemt bij langdurig fors alcoholgebruik in de afgelopen weken.
  • Codeïne (urine)UrineEen urinetest op codeïne laat zien of er kort geleden codeïne in het lichaam is geweest, bijvoorbeeld uit een pijnstiller of hoestdrank.
  • Cotinine (bloed)BloedCotinine is het afbraakproduct van nicotine en laat zien of iemand de afgelopen dagen nicotine heeft binnengekregen.
  • Cotinine (urine)UrineCotinine in urine laat zien of iemand de afgelopen dagen nicotine heeft binnengekregen, uit welke bron dan ook.
  • Kwik (bloed)BloedKwik in bloed laat zien hoeveel kwik je de afgelopen weken hebt binnengekregen, meestal via vis.
  • Kwik (urine)UrineKwik in urine laat zien hoeveel kwik je nieren uitscheiden; het zegt vooral iets na blootstelling aan kwikdamp.
  • Kwik in haarHaarVooral methylkwik uit vis, met name grote roofvis; voor deze vorm van kwik is haar in onderzoek een erkende maat voor blootstelling.
  • Lithium (bloed)BloedDe lithiumspiegel controleert de dosering bij mensen die lithium gebruiken als medicijn; het is geen preventief onderzoek.
  • LoodBloedDe hoeveelheid lood in je bloed; een maat voor blootstelling aan lood via water, werk, hobby of omgeving.
  • Lood in haarHaarEen giftig zwaar metaal uit oude loden waterleidingen, oude verf, werk of hobby's zoals glas-in-lood en schieten.
  • Morfine (urine)UrineEen urinetest op morfine laat zien of er kort geleden morfine of een verwante stof in het lichaam is geweest.
  • Nikkel (bloed)BloedNikkel in bloed laat zien hoeveel nikkel je recent hebt binnengekregen; het zegt niets over een nikkelallergie.
  • PFOA (bloed)BloedPFOA in bloed laat zien dat je in het verleden bent blootgesteld; het voorspelt geen gezondheidsklachten.
  • PFOS (bloed)BloedPFOS in bloed laat zien dat je in het verleden bent blootgesteld; het voorspelt geen gezondheidsklachten.
  • Sirolimus (bloed)BloedDe sirolimusspiegel controleert de dosering bij mensen die dit afweeronderdrukkende medicijn gebruiken na een transplantatie.
  • THC (afbraakstof THC-COOH)BloedDe afbraakstof van cannabis in je bloed (THC-COOH); laat zien of je de afgelopen dagen cannabis hebt gebruikt.
  • THC (urine)UrineEen urinetest op THC laat zien of er de afgelopen dagen tot weken cannabis is gebruikt.

Spieren en botten3

  • Creatinekinase (CK)BloedEen enzym uit de spieren dat in het bloed stijgt bij spierschade; na zware inspanning vaak tijdelijk sterk verhoogd.
  • Deoxypyridinoline (urine)UrineDeoxypyridinoline in urine is een maat voor het tempo van botafbraak; het is geen test op botontkalking.
  • Pyridinoline (urine)UrinePyridinoline in urine is een maat voor het tempo van botafbraak; het is geen test op botontkalking.
BBloedCheckupEenvoudig labonderzoek

Bloedonderzoek dat écht iets zegt — werkt samen met ISO-gecertificeerde laboratoria. Snel, zonder verwijzing van de huisarts.

— / 5
info@bloedcheckup.nl+31 (0)412 23 69 61

Onderzoeken

  • Bloedonderzoek
  • Thuistesten
  • Pakketten
  • Vingerprik thuis
  • Prikpunten
  • Test op maat

Service

  • Zo werkt bloedafname
  • Zo werken thuistesten
  • Prikpunten
  • Laboratoria
  • Kwaliteit & toezicht
  • Analyses A-Z
  • Nuchter zijn
  • Verzending

Contact

  • Contact
  • Veelgestelde vragen
  • Cliëntervaringen
  • Voor bedrijven
  • Klachtenregeling

Juridisch

  • Privacybeleid
  • Algemene voorwaarden
  • Disclaimer
  • Retourbeleid
  • Meldingsplicht
  • Nevenbevindingen
  • Risico's
Populair
  • Hormonen
  • ·Vitamines
  • ·SOA-test
  • ·Vingerprik thuis
  • ·Urinetest thuis
  • ·Pakketten
  • ·Prikpunten
© 2026 D3V B.V.·KvK 96924403 · BTW NL867835187B01
·
4.6 / 54.6 / 5 Trustpilot
4.6 / 5 op Trustpilot