Overige analyses
Antitrombine III-activiteit
Een natuurlijke remmer van de bloedstolling; een tekort geeft een grotere kans op trombose.
Alles over deze analyseWat meet dit
Antitrombine (vroeger antitrombine III genoemd) is een eiwit uit de lever dat de stolling afremt. Het schakelt trombine en enkele andere stollingsfactoren uit, zodat een stolsel niet groter wordt dan nodig. Heparine, een antistollingsmiddel, werkt door antitrombine te versterken. Deze test meet de activiteit van antitrombine in procenten van normaal: hoe goed het aanwezige antitrombine zijn remmende werk doet.
- Een erfelijk tekort aan antitrombine: een zeldzame oorzaak van trombose op jonge leeftijd of van trombose in de familie
- Een verworven tekort door een leverziekte, eiwitverlies via de nieren of verbruik rond een trombose, operatie of ernstige ziekte
- Een verklaring als heparine onvoldoende werkt
Verhoogd
Een verhoogde antitrombine-activiteit heeft voor zover bekend geen klinische betekenis. Het geeft geen klachten en geen extra kans op bloedingen. Bij gebruik van een cumarine kan de waarde iets hoger uitvallen. Op een verhoogde waarde volgt geen onderzoek.
Verlaagd
Een verlaagde activiteit betekent dat de stolling minder goed wordt afgeremd, waardoor volgens de NVKC de kans op trombose toeneemt, ook bij een lichte verlaging. Een verworven tekort komt vaker voor dan een erfelijk tekort: bij een leverziekte, bij eiwitverlies via de nieren (nefrotisch syndroom), tijdens of kort na een trombose of operatie, bij gebruik van heparine, bij zwangerschapsvergiftiging en bij gebruik van oestrogenen, zoals in de pil. Een erfelijk tekort is zeldzaam en gaat vaak samen met trombose op jonge leeftijd en trombose bij familieleden. Een verlaagde waarde geeft zelf geen klachten; klachten ontstaan pas als er een trombose optreedt, zoals een dik, pijnlijk been of kortademigheid.
Bij een afwijkende uitslag
Bij een verlaagde waarde herhaalt de huisarts de bepaling op een moment zonder trombose, operatie of heparinegebruik, en kijkt naar de leverfunctie en eiwitverlies via de urine. Blijft de activiteit verlaagd zonder verklaring, dan volgt verwijzing naar een internist-hematoloog voor aanvullend onderzoek, zoals de hoeveelheid antitrombine, en zo nodig onderzoek bij familieleden. Een bevestigd erfelijk tekort kan gevolgen hebben voor de duur van antistolling na een trombose en voor maatregelen rond operaties en zwangerschap.
Betrouwbaarheid
Een enkele verlaagde waarde is geen diagnose. Volgens de NVKC wordt een verlaagde waarde op een later moment herhaald; een erfelijk tekort wordt pas vastgesteld met herhaalde metingen, een bepaling van de hoeveelheid antitrombine en bij voorkeur onderzoek bij familieleden. De FMS-richtlijn Antitrombotisch beleid raadt routinematig onderzoek naar erfelijke trombofilie (een erfelijk verhoogde stollingsneiging) af, zowel na een trombose als bij de keuze voor de pil, omdat de uitslag het beleid meestal niet verandert.
Beperkingen
- Tijdens en kort na een trombose, een operatie of een ernstige ziekte is de waarde vaak tijdelijk verlaagd; een meting in die periode zegt weinig over een erfelijk tekort.
- Heparine verlaagt de antitrombine-activiteit; ook oestrogenen, zoals in de pil, en zwangerschap kunnen de waarde verlagen.
- Sommige DOAC's kunnen de activiteitsmeting verstoren, afhankelijk van de methode van het laboratorium.
- Antitrombine is gevoelig voor de afname en het transport: het plasma moet binnen enkele uren worden gescheiden en ingevroren.
Hoe vaak komt dit voor
Een erfelijk antitrombinetekort is zeldzaam: naar schatting 1 op de 2000 tot 5000 mensen. Een verworven tekort, bijvoorbeeld bij een leverziekte, eiwitverlies of rond een trombose of operatie, komt vaker voor. Trombose zelf heeft meestal een andere oorzaak, zoals een operatie, langdurig stilliggen, zwangerschap of de pil.
Voor wie is dit zinvol
Zinvol op verzoek van een arts bij een trombose op jonge leeftijd of op een ongewone plaats, bij herhaalde trombose zonder duidelijke aanleiding, als heparine onvoldoende werkt, en bij een bekend erfelijk antitrombinetekort in de familie als onderdeel van familieonderzoek. Volgens de FMS-richtlijn is testen op een erfelijke stollingsneiging niet zinvol om te bepalen of je de pil kunt gebruiken; bij trombose in de familie wordt de keuze voor anticonceptie afgewogen op basis van de familiegeschiedenis. Bij mensen zonder trombose en zonder bekend tekort in de familie zegt een losse waarde weinig.
Nadelen en risico's
- Een tijdelijk verlaagde waarde, bijvoorbeeld rond een trombose of operatie of bij heparinegebruik, kan ten onrechte op een erfelijk tekort lijken en tot onnodige ongerustheid en vervolgonderzoek leiden.
- Een normale waarde sluit andere vormen van erfelijke stollingsneiging niet uit, zoals factor V Leiden of een tekort aan proteïne C of S, en kan ten onrechte geruststellen.
Bronnen
Bespreek een afwijkende uitslag altijd met je huisarts. Bij een sterk afwijkende uitslag proberen wij je zo snel mogelijk te bereiken. Lees je uitslag ook zelf en neem bij twijfel contact op met je huisarts. Een test stelt geen diagnose. Lees meer over risico's en uitslagen