Hart en vaten
Lipoproteïne(a)
Een erfelijk bepaald cholesteroldeeltje dat los van LDL het risico op hart- en vaatziekten verhoogt; één meting is meestal genoeg.
Alles over deze analyseWat meet dit
Lipoproteïne(a), kort Lp(a), is een LDL-deeltje waaraan een extra eiwit vastzit: apolipoproteïne(a). Net als LDL kan het cholesterol in de vaatwand afzetten en zo bijdragen aan slagaderverkalking (atherosclerose). De hoeveelheid Lp(a) in het bloed ligt voor ongeveer 90 procent vast in de genen en verandert vanaf de volwassen leeftijd nauwelijks. Leefstijl heeft er weinig invloed op, en het gewone lipidenprofiel meet Lp(a) niet apart.
- Erfelijk verhoogd Lp(a), een risicofactor voor hart- en vaatziekten die los staat van LDL-cholesterol
- Mogelijke verklaring voor hart- en vaatziekten op jonge leeftijd bij jezelf of in de familie
- Extra risicofactor bij familiaire hypercholesterolemie (erfelijk hoog cholesterol)
Verhoogd
Een verhoogd Lp(a) past bij een hoger risico op een hartinfarct, een beroerte en vernauwing van de slagaders. De Nederlandse richtlijnen noemen een waarde boven 50 mg/dl als verhoogd; dat geldt voor ongeveer 1 op de 5 mensen. Hoe groot het extra risico precies is, is voor één persoon lastig te zeggen en hangt sterk af van de andere risicofactoren, zoals roken, bloeddruk en LDL-cholesterol. Een hoge waarde is bijna altijd aangeboren; ook nierziekte kan de waarde verhogen. Klachten geeft een hoog Lp(a) niet.
Verlaagd
Een laag Lp(a) is gunstig en komt veel voor; het betekent dat dit deeltje weinig bijdraagt aan je risico. Het zegt niets over de andere risicofactoren: een hoog LDL-cholesterol, roken of een hoge bloeddruk blijven even zwaar wegen. Een lage waarde heeft geen nadelen en geeft geen klachten.
Bij een afwijkende uitslag
Bij een verhoogde waarde beoordeelt de huisarts het volledige risicoprofiel (bloeddruk, roken, LDL-cholesterol, diabetes) en richt het beleid zich op leefstijl en zo nodig op een lager LDL-cholesterol. Bij hart- en vaatziekten op jonge leeftijd of erfelijk hoog cholesterol in de familie kan verwijzing naar een internist volgen, die Lp(a) volgens de richtlijn Erfelijke dyslipidemie kan meewegen bij de behandeling.
Betrouwbaarheid
Lp(a) is een risicomarker, geen test die een ziekte aantoont. Volgens de richtlijn voor laboratoriumdiagnostiek volstaat één meting, omdat de waarde levenslang vrijwel gelijk blijft, en hoeft die niet nuchter. Volgens de Nederlandse richtlijn Erfelijke dyslipidemie zegt Lp(a) het meest bij hart- en vaatziekten op jonge leeftijd zonder verklaring, bij jezelf of in de familie, bij erfelijk hoog cholesterol en bij herhaalde hart- en vaatziekten ondanks behandeling. Lp(a) is geen onderdeel van de SCORE2-risicoschatting in de NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement. Een recente Europese richtlijn (ESC/EAS 2025) adviseert om Lp(a) minstens één keer in het leven te meten.
Beperkingen
- Laboratoria rapporteren Lp(a) in mg/dl of in nmol/l; omrekenen tussen die eenheden is onbetrouwbaar, dus vergelijk alleen uitslagen in dezelfde eenheid en bij voorkeur van hetzelfde laboratorium.
- De grenswaarde van 50 mg/dl is gebaseerd op onderzoek bij mensen van Europese afkomst; voor mensen van andere afkomst zijn er geen goede normaalwaarden.
- Bij nierziekte kan de waarde hoger uitvallen; het laboratorium en de arts houden daar bij de beoordeling rekening mee.
- Er is nog geen onderzoek dat aantoont dat het gericht verlagen van Lp(a) hart- en vaatziekten voorkomt; de uitslag stuurt dus vooral de aandacht voor de andere risicofactoren.
Hoe vaak komt dit voor
Omdat 50 mg/dl ongeveer overeenkomt met de hoogste 20 procent van de bevolking, heeft ongeveer 1 op de 5 volwassenen een verhoogd Lp(a). Het wordt erfelijk doorgegeven: kinderen, broers en zussen van iemand met een hoog Lp(a) hebben een grotere kans op een hoge waarde. In 2024 waren ruim 1,7 miljoen mensen in Nederland bekend met een hart- of vaatziekte.
Voor wie is dit zinvol
Volgens de Nederlandse richtlijn vooral zinvol bij een hartinfarct, beroerte of vaatvernauwing op jonge leeftijd zonder duidelijke oorzaak, bij jezelf of bij naaste familieleden, bij erfelijk hoog cholesterol en bij een bekend hoog Lp(a) in de familie. Wie één keer is gemeten, hoeft de test niet te herhalen. Bij mensen zonder klachten en zonder belaste familie verandert de uitslag het advies meestal niet, omdat er nog geen gerichte behandeling is en de aanpak zich richt op de andere risicofactoren.
Nadelen en risico's
- Een hoge waarde is niet te veranderen met leefstijl en er is nog geen gerichte behandeling; dat kan ongerustheid geven zonder dat er direct iets aan te doen is.
- Er is geen eenduidig Nederlands advies over wat te doen bij een verhoogd Lp(a); het advies kan daardoor per zorgverlener verschillen.
Bronnen
- FMS Richtlijnendatabase, richtlijn Erfelijke dyslipidemie in de 2e en 3e lijn: Meten Lp(a)
- FMS Richtlijnendatabase, richtlijn Erfelijke dyslipidemie in de 2e en 3e lijn: Behandeling patiënten met verhoogd Lp(a)
- FMS Richtlijnendatabase, richtlijn Laboratoriumtechnische aspecten bij lipidendiagnostiek: Pre-analytische aspecten
- FMS Richtlijnendatabase, richtlijn CVRM: Nuchter bloedprikken bij CVRM
- NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement (M84)
Bespreek een afwijkende uitslag altijd met je huisarts. Bij een sterk afwijkende uitslag proberen wij je zo snel mogelijk te bereiken. Lees je uitslag ook zelf en neem bij twijfel contact op met je huisarts. Een test stelt geen diagnose. Lees meer over risico's en uitslagen